Verantwoording vooraf
Dit dossier legt de geschiedenis vast van het Netherlands Signal Squadron (NSSQ): de Nederlandse verbindingseenheid die tijdens de Koude Oorlog deel uitmaakte van het grote NAVO-hoofdkwartier in Rheindahlen, bij Mönchengladbach in West-Duitsland. Het was een eenheid die voor de buitenwereld vrijwel onbekend bleef, maar die voor honderden Nederlandse militairen een vormende periode betekende.
De directe aanleiding voor dit boekwerk is de reünie van 19 september 2026 — de derde in een reeks, en de laatste die Stefan van Nijmweegen (lichting 80-1, lijnpeloton) vóór zijn pensioen organiseert. De Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’, die is uitgegroeid tot een levend archief van de eenheid, werd opgericht door John van Velzen (lichting 84-1); Van Nijmweegen sloot zich daar later bij aan en is sindsdien medeoprichter en de meest actieve deelnemer. Zelf werd hij na twee maanden op de Elias Beeckmankazerne in Ede op eigen verzoek naar Rheindahlen overgeplaatst, waar hij — na zijn dienstplicht als kortverbandvrijwilliger (KVV) — tot 3 maart 1987 diende en als korporaal der 1e klasse afzwaaide. Voor dit dossier was hij bovendien een onmisbare bron: hij droeg veel foto- en achtergrondmateriaal aan en bracht het contact tot stand met kolonel b.d. Frank Peersman, wiens gegevens over de oprichting en geschiedenis van het squadron op meerdere plaatsen in dit verhaal doorwerken. Het leek een passend moment om de verhalen, foto’s en feiten die daar rondgaan te bundelen tot één samenhangend geschiedverhaal.
Het uitgangspunt is bewust gekozen: het verhaal moet zuiver en controleerbaar zijn. De feiten zijn waar mogelijk getoetst aan openbare bronnen — de Nederlandse order of battle van 1985 (orbat85.nl), Wikipedia over JHQ Rheindahlen en de Northern Army Group, en de veteranensite van 13 (BE) Cie TTr — en aan twee primaire bronnen uit de eenheid zelf: een jubileumartikel uit 1981 ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan, en een jubileumboekje uit ongeveer 1986 ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan. Waar een gegeven op één bron rust of niet hard te maken is, staat dat vermeld.
De foto’s in deze versie komen grotendeels uit het beeldarchief van de oud- NSSQ’ers zelf — bewaard en gedeeld via de Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’ en een gezamenlijk fotoalbum. Dit dossier is samengesteld door Gerard Worm, die in 1981 als sergeant en commandant van een lijndetachement bij het NSSQ in Rheindahlen diende. Zoals hij het zelf verwoordt, was de Europese militaire samenwerking die in zijn diensttijd vanzelfsprekend was anno 2026 opnieuw volop onderwerp van het Europese veiligheidsdebat — een continuïteit die de blijvende betekenis van deze geschiedenis onderstreept.
Het blijft een levend document: persoonlijke herinneringen kunnen in een latere versie worden toegevoegd. In overeenstemming met de wens van de samensteller ligt de nadruk op het beeld van de eenheid als geheel, niet op individuele personen.
Dit dossier is samengesteld voor en wordt verspreid onder de oud-leden van het Netherlands Signal Squadron. Het wordt niet gedrukt, uitgegeven of verkocht. Het beeldmateriaal is met zorg en te goeder trouw verzameld; wie meent rechten te hebben op een afbeelding, kan zich melden, waarna deze wordt aangepast of verwijderd. Overname of ander gebruik van de foto’s — zeker voor commerciële of openbare doeleinden — is niet toegestaan zonder toestemming van de rechthebbenden.
Deel I — De wereld eromheen
1. De Koude Oorlog en de Noordelijke Legergroep
Na de Tweede Wereldoorlog verdeelde het IJzeren Gordijn Europa in twee kampen. In het centrum van die scheidslijn lag West-Duitsland, en juist daar legde de NAVO het zwaartepunt van haar voorwaartse verdediging. De Noord- Duitse laagvlakte gold als de meest waarschijnlijke route voor een aanval uit het Oosten, en het was de taak van de Northern Army Group — in Nederland meestal Noordelijke Legergroep genoemd, afgekort NORTHAG — om dat gebied te verdedigen.
NORTHAG was een internationaal verband. In oorlogstijd zou het hoofdkwartier vier legerkorpsen aansturen — een Nederlands, een Duits, een Brits en een Belgisch — met een Amerikaans korps als reserve. Die multinationale opzet betekende dat eenheden van verschillende landen dagelijks moesten samenwerken. Het hoofdkwartier werd opgericht op 1 november 1952, aanvankelijk in Bad Oeynhausen, en verhuisde in 1954 naar Rheindahlen.
Een hoofdkwartier kan alleen functioneren als de verbindingen werken. Bevelen, meldingen en inlichtingen moeten onder alle omstandigheden hun bestemming bereiken — in vredestijd, op oefening en, als het erop aankomt, in oorlog. Voor die levensader van het commando zorgde een aparte, internationale verbindingsorganisatie. En daarbinnen had Nederland een vaste, herkenbare plaats: het Netherlands Signal Squadron.
2. JHQ Rheindahlen — een stad in een stad
Wie in die jaren vanuit Venlo de grens overstak en richting Mönchengladbach reed, merkte de overgang bijna ongemerkt op. Het bosrijke, agrarische landschap maakte plaats voor keurig aangelegde asfaltwegen met perfect bijgehouden grasvelden. Opvallend veel militair verkeer, veel auto’s met Britse kentekens, en straatnamen als Queens Avenue: men bevond zich, vrijwel zonder bewegwijzering, midden in het NAVO-hoofdkwartier Rheindahlen.
De bouw begon in 1952; in oktober 1954 betrok het hoofdkwartier het terrein. In enkele weken verhuisden zo’n twaalfduizend militairen naar wat al snel “een stad binnen een stad” werd genoemd. Vier hoofdkwartieren waren er gevestigd: HQ NORTHAG, HQ 2nd Allied Tactical Air Force (2 ATAF), HQ British Army of the Rhine (BAOR) en HQ Royal Air Force Germany (RAFG). Het was in feite een klein Engeland op Duitse bodem — een ‘Little England’ met naar schatting tienduizend inwoners.
De aanleg was een krachttoer. Het complex verrees midden in het Rheindahlener Wald, een bos van ongeveer duizend acres (zo’n vierhonderd hectare) zonder toegangswegen; naar schatting zeven miljoen boomwortels werden uitgegraven, terwijl men zoveel mogelijk bomen spaarde om een parkachtig geheel te scheppen. Er werden twintig kilometer weg aangelegd en ruim zestienhonderd kilometer (duizend mijl) aan leidingen voor water, verwarming, gas, elektriciteit en riolering. Het centrale kantoorgebouw mat driehonderd bij honderdtachtig yard — ongeveer 275 bij 165 meter — en telde bijna tweeduizend kantoren. Verder waren er vijfenzestig legeringsgebouwen, ruim elfhonderd gezinswoningen, scholen voor 720 jongere en 400 oudere leerlingen, en een zwembad op olympische maat. De hele stad werd verwarmd vanuit twee grote ketelhuizen via zeventien onderstations.
De drijvende kracht achter de bouw was kolonel H. Grattan, in augustus 1952 benoemd tot verantwoordelijk genie-officier (Chief Engineer, Special). Grattan bezat naar verluidt de gave van het wichelroedelopen en wist zo een eigen, overvloedige waterbron aan te boren; er werden vier putten geslagen en een eigen waterwerk gebouwd, zodat het kamp niet afhankelijk was van de Duitse watervoorziening. Het geheel moest bovendien in ongeveer twee jaar gereed zijn, vóór Duitsland in oktober 1954 zijn soevereiniteit terugkreeg. Dat was de voorwaarde waaronder de financiering was goedgekeurd: na die datum zouden de kosten immers op de Britse belastingbetaler drukken in plaats van op de Duitse ‘support costs’.
Er waren rijtjeshuizen en Engelse straatnamen, een NAAFI-superstore met Britse producten, twee bioscopen, een BP-benzinestation, een katholieke en meerdere protestantse kerken, een YWCA-boekhandel, bibliotheken, een zwembad, cricket- en voetbalvelden en een tea shop. Het geheel was opgezet volgens het Garden City-concept, met veel groen en doodlopende straten om het verkeer in goede banen te leiden. Er waren ook eigen scholen, waaronder Britse basisscholen, een Belgische school en de Windsor School.
Het kloppend hart was het centrale hoofdgebouw, in de wandelgangen “the Big House” genoemd (en spottend ook wel “the Kremlin”). Het was opvallend laag gehouden — drie verdiepingen, waarvan één ondergronds — en leek voor iedereen toegankelijk, maar dat was schijn: zonder speciale toegangsbewijzen werd men onverbiddelijk geweigerd. Het NSSQ was niet in de Big House gehuisvest, maar een aantal militairen had uit hoofde van zijn werk wel toegang tot het gebouw.
De Big House was oorspronkelijk gebouwd als NAVO-hoofdkwartier en herbergde in feite twee werelden. Aan de ene kant zetelden HQ BAOR en het door Britten geleide HQ NORTHAG — de Noordelijke Legergroep, samengesteld uit het 1st British Corps, een Duits legerkorps met hoofdkwartier in Münster, een Belgische divisie in het Rijnland, een Nederlandse divisie ten zuiden van de Elbe en tijdelijk een Canadese brigade. Aan de andere kant bevonden zich HQ Royal Air Force Germany en HQ 2nd Allied Tactical Air Force. Juist die internationale, gecombineerde staf verklaart waarom een kleine Nederlandse eenheid als het NSSQ hier haar verbindingstaak vervulde.
Die tweede wereld was aanzienlijk. De 2nd Allied Tactical Air Force, opgericht in 1958 en opgeheven in 1993, had tot taak de Noordelijke Legergroep vanuit de lucht te steunen. Onder haar bevel stonden de Royal Air Force Germany, de Belgische luchtmacht, de Koninklijke Luchtmacht, twee divisies van de Duitse Luftwaffe en een Amerikaanse Tactical Fighter Group, en daarnaast de luchtverdedigings- en radarketen in Duitsland, België en Nederland. In oorlogstijd zouden 2 ATAF en NORTHAG samen één ondergrondse commandopost betrekken: het Joint Operations Centre in de Cannerberg bij Maastricht (zie hoofdstuk 22). Onder één dak in Rheindahlen werd dus de landoorlog én de luchtoorlog van de noordelijke helft van West-Duitsland voorbereid — en al dat overleg, al die bevelen en al die berichten moesten over lijnen lopen die iemand had aangelegd.
Rheindahlen als doelwit — de IRA-aanslagen
Rheindahlen was niet alleen een werkplek, maar ook een doelwit. Als een van de meest zichtbare Britse hoofdkwartieren op het Europese vasteland stond het complex hoog op de lijst van de Provisional IRA, die haar gewapende strijd tegen de Britse aanwezigheid in Noord-Ierland vanaf de jaren zeventig ook naar het continent verlegde. Twee keer werd Rheindahlen getroffen.
De eerste aanslag kwam al in januari 1973 en behoorde daarmee tot de vroegste IRA-aanslagen buiten de Britse eilanden. Op het parkeerterrein bij de Globebioscoop was een autobom geplaatst, afgesteld om te ontploffen op het moment dat de bezoekers na afloop van de film naar hun auto’s zouden lopen. Het toeval wilde dat de film eerder was afgelopen; het parkeerterrein stond al vrijwel leeg toen de bom afging. Er raakte niemand gewond en slechts enkele auto’s werden beschadigd. Een Nederlandse man en een vrouw uit Belfast werden later opgepakt, maar hun vermoedelijke leider wist te ontkomen.
Veel ernstiger was de aanslag van 23 maart 1987. Rond half elf ’s avonds ontplofte op het terrein, vlak bij de officiersmess, een zware autobom — het Britse leger sprak later van zo’n driehonderd pond springstof, ruwweg honderd tot honderdveertig kilo. Eenendertig mensen raakten gewond, van wie zeven ernstig; onder hen bevond zich de Duitse generaal-majoor Hans Hoster, destijds chef-staf van NORTHAG. Ook een Nederlandse militair liep lichte verwondingen op. Dat er geen doden vielen, was vooral geluk: de daders hadden de auto niet dichter bij de mess kunnen zetten omdat het parkeerterrein vol stond. Wrang genoeg behoorden veel van die geparkeerde auto’s toe aan Duitse officieren, die juist die avond bij hun Britse collega’s te gast waren. De explosie sloeg een krater van een halve meter diep en drie meter breed in de grond. De Provisional IRA eiste de aanslag op.
De auto die voor de aanslag was gebruikt — een acht jaar oude rode Volvo 244 — bleek uit Nederland te komen. Hij was op 11 maart in Den Haag gekocht door een man met een Iers paspoort — dat op naam stond van de eenendertigjarige Ier M.
Heaney — volgeladen met springstof en via de grensovergang bij Elmpt, ter hoogte van Roermond, Duitsland binnengereden. Na de aanslag vluchtten de daders in de richting van de Nederlandse grens; vlak vóór de overgang werd langs de weg een achtergelaten legeruniform gevonden, dat vermoedelijk was gedragen om op het bewaakte militaire terrein niet op te vallen. De zoekactie naar de daders strekte zich uit over heel Noord-Europa.
Dat de sporen naar Roermond liepen, was geen toeval. Het Limburgse stadje, op nog geen half uur rijden van de Britse en geallieerde bases net over de grens, was een geliefde uitgaansplek voor Brits militair personeel — en werd daardoor zelf het toneel van geweld. In de nacht van 1 mei 1988 schoot de IRA in Roermond een RAF-militair dood en verwondde diens kameraad zwaar; nog geen half uur later doodde een bom onder een auto in het nabijgelegen Nieuw-Bergen twee andere RAF-militairen. Het was de zwaarste IRA-aanslag op Britse strijdkrachten op het Europese vasteland in de hele periode van de Troubles. Twee jaar later, op 27 mei 1990, ging het opnieuw en gruwelijk mis: op de markt van Roermond werden twee Australische toeristen doodgeschoten, aangezien voor Britse militairen omdat zij in een huurauto met Britse kentekenplaten reden.
Voor de mannen van het NSSQ, die dagelijks op en rond het complex hun werk deden, waren deze aanslagen geen ver-van-mijn-bedshow. Ze maakten pijnlijk voelbaar dat Rheindahlen — hoe vertrouwd ook als ‘stad binnen een stad’ — midden in de Koude Oorlog een reëel doelwit was, en dat de dreiging niet ophield bij de slagbomen van het complex.
Met het einde van de Koude Oorlog verloor het complex zijn reden van bestaan. NORTHAG werd op 24 juni 1993 opgeheven; het Britse hoofdkwartier verhuisde later naar Bielefeld, en op 13 december 2013 ging het terrein terug naar de Duitse autoriteiten. Daarmee kwam een einde aan bijna zestig jaar militaire geschiedenis op deze plek.
Galerij — Plattegronden, gebouwen en luchtfoto’s
Rheindahlen was een compleet garnizoen — ‘een stad binnen een stad’. Deze plattegronden, gebouwen en overzichtsbeelden geven een indruk van de omvang van het terrein.
3. De Francisca-bijl — het embleem van NORTHAG
Ieder hoofdkwartier draagt zijn eigen symboliek, en die van NORTHAG heeft een opvallend verhaal. Volgens de overlevering werd tijdens de bouw van het hoofdkwartier in Rheindahlen in de grond een Frankische strijdbijl gevonden — een zogeheten werpbijl of francisca. Die bijl werd het embleem van de Noordelijke Legergroep.
De keuze was niet toevallig. De francisca verwees naar de overwinning die een verbond van legers in het jaar 451 in West-Europa behaalde op een aanvaller uit het Oosten — de slag op de Catalaunische Velden, waar onder anderen Romeinen en Franken het leger van Attila de Hun tot staan brachten. Voor een NAVOhoofdkwartier dat juist bedoeld was om gezamenlijk een aanval uit het Oosten af te slaan, was dat een veelzeggend symbool. Het francisca-schild keert terug op de borden, voertuigen en emblemen op het terrein — en ook, zoals we zullen zien, in het embleem van het NSSQ zelf.
Deel II — Het Netherlands Signal Squadron
4. Ontstaan, naam en standplaats
Het Netherlands Signal Squadron was een zuiver Nederlandse eenheid van de Koninklijke Landmacht, die binnen het kader van de NAVO een vast omschreven aantal verbindingstaken verrichtte. De eenheid was jonger dan NORTHAG zelf. De oprichting begon in 1961, en het squadron vierde op 1 november 1981 zijn twintigjarig bestaan — wat de oprichtingsdatum op 1 november 1961 plaatst. Het regimentsarchief maakt dat nog wat preciezer: feitelijk werd het squadron al op 1 september 1961 opgericht, vanuit het 891 Verbindingsbedieningsbataljon te Bergen op Zoom. Pas later is 1 november 1961 als oprichtingsdatum aangehouden — en dat is de datum die de eenheid zelf altijd heeft gevierd.
Over die begintijd is dankzij het 25-jarig jubileumboekje veel bekend. De eerste commandant was majoor (later luitenant-kolonel b.d.) C. Salomons, die van de Inspectie der Verbindingsdienst de opdracht kreeg het Netherlands Signal Squadron per 1 november 1961 in Bergen op Zoom op te richten. Het was, in zijn eigen woorden, beginnen met niets: de eenheid was te gast bij het 891 Verbindingsbataljon in Bergen op Zoom, waar haar enige bureauruimte werd toegewezen. Zijn rechterhand, kapitein Ruygrok, zou het materieel beheren. Volgens de overlevering moest bovendien iedere Nederlandse eenheid een paar jeeps afstaan voor de nieuwe eenheid — en het laat zich raden dat dit niet de beste exemplaren waren.
Pas in 1966 werden die eerste jeeps vervangen door Land Rovers, wat een grote verbetering betekende. Ook de huisvesting verliep aanvankelijk moeizaam: na eerst elders in de omgeving te zijn ondergebracht, werd het NSSQ in 1963 verplaatst naar het JHQ Rheindahlen, waar het zijn vaste standplaats vond.
Aan die verhuizingen zit een gegeven dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Met de gang naar de Francisca Barracks, begin 1962, werd het Netherlands Signal Squadron het eerste Nederlandse militaire onderdeel dat permanent in Duitsland werd gelegerd. Alles wat daarna kwam — de Nederlandse aanwezigheid in Seedorf, in Münster, bij 1 (GE/NL) Corps — kwam ná dit squadron.
— Opgave van F. F. M. (Frank) Peersman, kolonel van de Verbindingsdienst b.d., secretaris Historische Collectie Verbindingsdienst en medewerker Archief en Bibliotheek, juli 2026.
De naam vroeg in Nederland altijd om uitleg. “Een squadron? Dat moet luchtmacht zijn!” — want in Nederland is squadron vooral een luchtmachtterm. Toch ging het om een verbindingscompagnie van de landmacht. De Engelse benaming hing samen met de internationale omgeving: binnen het NAVOhoofdkwartier was Engels de werktaal en gold de Britse en NAVO-naamgeving. Het NSSQ was de eerste Nederlandse landmachteenheid met een ‘squadron’aanduiding — en gedurende zijn hele bestaan de enige. Het jubileumartikel van 1981 noteerde dat ook zo. Er zou er uiteindelijk nog één volgen.
Na de opheffing van het Netherlands Signal Squadron werd namelijk in Sankt Tönis bij Krefeld een nieuwe Nederlandse verbindingseenheid gevormd onder de naam 1 (NL) Signal Squadron — daarmee het tweede squadron van de landmacht. Dat het uitgerekend Sankt Tönis werd, sluit de cirkel: daar begon het NSSQ zelf in 1962 in de Francisca-Kaserne, en daar lag ook het Britse 28 (BR) Signal Regiment, de zusterenheid uit de NORTHAG Signal Group (zie hoofdstuk 5).
— Opgave van Stefan van Nijmweegen (lichting 80-1, lijnpeloton), juli 2026. Dit gegeven berust vooralsnog op deze ene mondelinge bron; in openbare naslagwerken is het niet terug te vinden. Aanvullingen zijn welkom.
5. Taak en plaats binnen de NORTHAG Signal Group
Het verzorgen van de verbindingen voor een hoofdkwartier als NORTHAG was geen louter Nederlandse aangelegenheid, maar een internationale onderneming waarin elk land een eigen, scherp afgebakend deel van het verbindingssysteem voor zijn rekening nam. Het geheel stond bekend als de NORTHAG Signal Group (ook NORTHAG Signals Support Group genoemd).
De taakverdeling, beschreven in het jubileumartikel en bevestigd door een Britse veteraan van het betrokken regiment, zag er als volgt uit. Het NSSQ verzorgde de ordonnans- en lijnverbindingen: het legde en onderhield alle kabels en lijnen op de oorlogs- en oefenlocaties en zorgde voor de koeriersdienst. De Belgische eenheid 13 (BE) Cie TTr (Troupe de Transmission) nam de radioverbindingen voor haar rekening. Het Duitse 840 (GE) Fernmeldebataillon verzorgde de straalzender- en draaggolfverbindingen. Het Britse 28 (BR) Signal Regiment beheerde de verbindingscentra en de troposcatterverbindingen. Een aardige samenloop: dat Britse regiment lag in de Francisca-Kaserne te Sankt Tönis (bij Krefeld), genoemd naar diezelfde Frankische strijdbijl die ook het embleem van NORTHAG vormt (zie hoofdstuk 3). De grond/lucht-verbindingen lagen bij een internationaal bemand Air Support Radio Squadron (ASRS). Het was een concreet voorbeeld van echte NAVO-samenwerking: vier nationaliteiten die elk een schakel vormden in één keten.
Nederland — NSSQ Kabel- en lijnverbindingen; ordonnans- en koeriersdienst
België — 13 (BE) Cie TTr Radio- en HF-verbindingen
Duitsland — 840 Fernmeldebataillon Straalzender- en draaggolfverbindingen
Groot-Brittannië — 28 (BR) Signal Regiment Verbindingscentra en troposcatterverbindingen
Grond/lucht-verbindingen
Internationaal — ASRS
Een tegel met het embleem van de NORTHAG Signal Group. In het midden de Francisca-bijl van NORTHAG; daaromheen de dienstvakemblemen van de vier nationale partners — linksboven de Britse Royal Signals, rechtsboven de Belgische Transmissietroepen met het devies “Omnia Conjungo”, linksonder de Duitse Fernmeldetruppe en rechtsonder de Nederlandse Verbindingsdienst. (Uit het beeldarchief.)
Binnen die structuur kende het NSSQ twee bevelslijnen. De belangrijkste was de tactisch-operationele lijn: daarin viel het squadron rechtstreeks onder de commandant van de NORTHAG Signal(s Support) Group. Daarnaast was er een administratieve lijn — voor straf- en tuchtrecht, betaling, voeding en kleding — waarin het squadron onder het Nederlands Administratief Korps in Mönchengladbach viel.
De Belgische zustereenheid — 13 (BE) Cie TTr
Van de vier nationale partners binnen de NORTHAG Signal Group verzorgde de Belgische 13 (BE) Cie TTr (Compagnie Transmissietroepen) de radioverbindingen. De eenheid ontstond uit een besluit, begin jaren zestig, om binnen NORTHAG een zelfstandige HF-radiocompagnie op te richten. Het werd een volledig Belgische eenheid, bemand met personeel dat uit bestaande transmissie-eenheden werd overgeplaatst.
Op 2 mei 1961 werd in het kwartier Klerken te Ossendorf verzameling geblazen voor de pioniers van de compagnie: drie officieren, twaalf onderofficieren en vijf korporaals en soldaten vormden de start. Twee weken later, op 15 mei 1961, verhuisde de eenheid naar de Francisca Barracks te Krefeld-Forstwald — opnieuw een kazerne die de naam van de Frankische strijdbijl droeg, hetzelfde symbool dat ook het embleem van NORTHAG vormde (zie hoofdstuk 3). Het 6de Bataljon Transmissietroepen aanvaardde het peterschap, waardoor de militairen van 13 TTr met fierheid de zwarte muts mochten dragen.
De compagnie stond onder bevel van de commandant van de Groepering Transmissietroepen van NORTHAG, binnen dezelfde NORTHAG Signal Group waartoe ook het NSSQ behoorde. Meer dan dertig jaar lang heeft 13 Cie TTr de radioverbindingen van het hoofdkwartier van NORTHAG opgericht, uitgebaat en in stand gehouden; ‘het leveren van radioverbindingen op de meest efficiënte manier’ gold als het kenmerk van de eenheid. In 1985 werd het oorspronkelijke Siemens-materieel vervangen door dat van de firma ANT. De compagnie bleef actief tot zij, begin jaren negentig, met de opheffing van NORTHAG (1993) werd ontbonden.
Twee collega’s zijn van de oprichting tot de ontbinding lid gebleven van 13 TTr: René Verhoye en Julien Martens. De opeenvolgende bevelvoerders waren de majoors Stevens (1961), Henin (1966), Thijs (1966), Baes (1969), Verbeke (1972), Declercq (1975), Bombois (1978) en Van Caenenberghe (1980), kapitein De Keyzer (waarnemend commandant, 1983), en de majoors Meulemans (1983) en Rodolf (1986), gevolgd door luitenant-kolonel Engelen (1989).
— Naar de eenheidsgeschiedenis van 13 (BE) Cie TTr (13ciettr) en het NSSQ-jubileumartikel van A.M. de Gouw (1981).
ACE High — waar het NAVO-net binnenkwam
De troposcatterverbindingen die in de taakverdeling aan het Britse 28 (BR) Signal Regiment toevielen, waren geen abstractie. Zij hoorden bij ACE High — voluit Allied Command Europe Highband — het vaste communicatienetwerk waarmee de NAVO haar hoofdkwartieren van Noorwegen tot Turkije met elkaar verbond, los van de openbare telefoonnetten van de gastlanden.
Troposcatter maakte gebruik van een natuurkundig verschijnsel. Een krachtig UHF-signaal werd door een enorme, bijna horizontaal gerichte parabolische antenne de lucht in gestuurd; in de troposfeer — de onderste laag van de dampkring — werd een deel ervan verstrooid en teruggeworpen, zodat het ver voorbij de horizon kon worden opgevangen. Zo waren verbindingen mogelijk over afstanden waarvoor een gewone zichtverbinding tekortschoot, zonder afhankelijk te zijn van kwetsbare kabels of van tussenliggend, mogelijk bezet gebied. De schotels waren zo groot dat ze door buitenstaanders geregeld voor radarinstallaties werden aangezien.
Het dichtstbijzijnde ACE High-station lag op nog geen vijf kilometer van het hoofdkwartier: station AHEZ te Hehn, aan de noordrand van Mönchengladbach, op het terrein van de Britse Ayrshire Barracks North. Hehn had zelf geen troposcatterschotels; het was een zichtverbindingsstation, met een gittermast van ongeveer zeventig meter hoog. Vanaf die mast liepen straalverbindingen naar Uedem (54 km), Roetgen (57,6 km), Brunssum (40 km) en Lammersdorf — en over een luttele 4,9 kilometer naar JHQ Rheindahlen zelf.
Daarmee is zichtbaar waar het werk van het NSSQ ophield en dat van de partners begon. De kilometers veldkabel die het squadron in de Duitse bodem en langs de bermen legde, en de mast van Hehn, waren twee uiteinden van dezelfde keten: een bericht dat op een oefenlocatie op een lijn werd gezet, kon via het verbindingscentrum en de mast binnen enkele schakels bij een ander NAVOhoofdkwartier op tafel liggen. Het motto ‘het bericht moet door’ gold niet alleen voor het lijnpeloton; het gold voor de hele keten.
Van Hehn is niets meer over. De Britten verlieten de Ayrshire Barracks North in 1996; de kazerne en de mast werden gesloopt en vanaf 2002 verrees op het terrein het Borussia-Park met het voetbalstadion van Borussia Mönchengladbach. Het ACE High-net zelf werd in de jaren tachtig en negentig geleidelijk vervangen door satelliet- en glasvezelverbindingen — in dezelfde jaren waarin NORTHAG werd opgeheven en het NSSQ zijn laatste kabel oprolde.
— Naar het ACE High Journal (ace-high-journal.eu) en Lostplace Map, ‘NATO Funkstation Mönchen- Gladbach / Hehn ACE-High (AHEZ)’ (2025).
6. Sterkte, organisatie en zelfstandigheid
Het NSSQ was naar Nederlandse maatstaven een kleine eenheid — in het jubileumartikel omschreven als “ruim honderd man”. De Nederlandse order of battle van 1985 maakt dat preciezer: in vredestijd 117 militairen (4 officieren, 18 onderofficieren, 95 manschappen), in oorlogstijd aan te vullen tot 210 (4 officieren, 23 onderofficieren, 183 manschappen), vermoedelijk met personeel met groot verlof. Deze cijfers berusten op één goed gedocumenteerde bron en sluiten aan bij het ‘ruim honderd man’ uit 1981.
Hoe die eenheid was ingedeeld, veranderde met de jaren mee. Uit het archief van de Verbindingsdienst komt een momentopname uit 1964, toen het squadron net op Rheindahlen zat. Het bestond toen uit:
- – een Signal Headquarters; – een National Cypher Detachment; – twee Signal Message Service Troops; – twee Heavy Cable Troops; – een Quad & Field Cable Troop. Daarin staat de eenheid in een notendop. Twee Signal Message Service Troops — de koeriers, die in de jaren tachtig nog altijd het ‘SMS-peloton’ heetten. Twee Heavy Cable Troops en een Quad & Field Cable Troop — de kabel, zwaar en licht. En een eigen National Cypher Detachment, want berichten van een NAVOhoofdkwartier gingen versleuteld. Ruim twintig jaar later, in het jubileumkatern van 1986 (hoofdstuk 19), heet het staf, lijn en courier service. De woorden veranderden; de kern bleef: berichten en kabel.
— Opgave van F. F. M. (Frank) Peersman, kolonel van de Verbindingsdienst b.d., secretaris Historische Collectie Verbindingsdienst en medewerker Archief en Bibliotheek, juli 2026.
Wat het NSSQ onderscheidde, was de grote mate van zelfstandigheid op het gebied van onderhoud en beheer. Het squadron had een eigen Property Accounting Officer, een kapitein die te vergelijken was met een Nederlandse S-4 en die het eigen budget bewaakte. Met uitzondering van persoonlijke uitrusting en wapens gold geen gebruikelijke echelonnering: men regelde reparaties zoveel mogelijk zelf, en wat men niet zelf kon, werd in samenwerking met het JHQ uitbesteed aan Nederlandse of Duitse civiele bedrijven — de ene keer een voertuig, de andere keer een veldkeuken.
7. Het embleem van het NSSQ
Het embleem van het squadron brengt zijn taak en plaats fraai in beeld. Op een blauw rond schild — blauw is de kleur van de Verbindingsdienst van de Koninklijke Landmacht — staat in goud de Francisca-bijl, dezelfde werpbijl als die van NORTHAG, die de eenheid binnen dat hoofdkwartier plaatst. De bijl wordt gekruist door bliksemschichten, het klassieke zinnebeeld van de verbindingsdienst voor snelle en betrouwbare communicatie, en is geplaatst over een gevleugelde helm. Rondom staat de naam “Netherlands Signal Squadron”
met daaronder “Rheindahlen”. Dit kleurenembleem siert de omslag van dit dossier.
Over de precieze ontwerpgeschiedenis — wanneer en door wie het embleem werd ontworpen, en of er verschillende uitvoeringen hebben bestaan — is langs openbare weg nog weinig te achterhalen. Dit is bij uitstek een onderwerp waarover oud-NSSQ’ers meer kunnen vertellen.
Wat wél vaststaat, is het dienstvakembleem dat de mannen zelf droegen. Als militairen van het Regiment Verbindingstroepen voerden zij op baret en kraagspiegel het embleem van dat dienstvak: een helm boven gekruiste bliksemschichten. De helm herinnert aan de oorsprong van de verbindingsdienst bij de genie; de bliksem staat voor de verbindingen. Het embleem stond op de blauw-witte kleuren van het dienstvak — dezelfde kleuren die terugkeren in het schild en de halsdoek van het squadron. Zoals alle baretemblemen van de Koninklijke Landmacht rustte het op een gestileerde W-vormige gesp, in 1945– 1946 ontworpen door Frans Smits.
Geen vaandel, wel een fanion
Toen voor de reünie van 2026 bij het regiment werd gevraagd of er ergens nog een vaandel van het NSSQ lag, kwam een antwoord dat meteen iets uitlegt over de plaats van de eenheid. Een vaandel van het Netherlands Signal Squadron bestaat niet, en heeft ook nooit bestaan: vaandels worden alleen uitgereikt aan regimenten en korpsen. Het squadron maakte deel uit van het Regiment Verbindingstroepen en viel dus onder het vaandel van dát regiment.
Dat vaandel is de moeite van een omweg waard, want er staat een verhaal op. De Verbindingsdienst komt voort uit het Wapen der Genie, waar op 18 februari 1874 “eene afzonderlijke Afdeling Veldtelegrafisten” werd opgericht; pas op 1 mei 1949 werd de Verbindingsdienst een zelfstandig regiment. Het vaandel zelf werd verleend in 1974, bij het honderdjarig bestaan — met het vaandelopschrift “Rotterdam 1940”.
Dat opschrift verwijst naar mei 1940, toen soldaten van de Verbindingsdienst in Rotterdam deelnamen aan de strijd tegen Duitse parachutisten. Acht verbindingsmensen kwamen daarbij om. Uit respect en dankbaarheid schonk de burgemeester van Rotterdam het regiment in 1960 een van de stenen leeuwen van de Koningsbrug — in de volksmond de Vierleeuwenbrug. Die leeuw werd het monument voor de gevallenen van de Verbindingsdienst, en hij staat sindsdien ook op het vaandel. In 2019 verleende koning Willem-Alexander het regiment het recht daar een tweede opschrift aan toe te voegen: “Zuid-Afghanistan 2006- 2010”.
Voor dit verhaal is de tijdrekening aardig. Toen het squadron in 1961 werd opgericht, bestond dit vaandel nog niet. Het kwam er in 1974, halverwege de loopbaan van de eenheid; in de diensttijd van de samensteller van dit dossier, 1980–1981, was het zes jaar oud en stond er alleen nog “Rotterdam 1940” op. Het squadron heeft dus zevenendertig jaar lang onder een vaandel gestaan dat het nooit zelf heeft gedragen — en dat het maar de helft van zijn bestaan gekend heeft.
Eén ding valt bij dat regiment op zijn plaats. Het motto dat in dit dossier telkens terugkeert — “het bericht moet door” — is niet door het squadron bedacht. Het is de Nederlandse weergave van het regimentsmotto van de Verbindingsdienst: Nuntius Transmittendus. Het squadron voerde het niet als eigen leus, maar als de leus van het dienstvak waartoe het behoorde. Dat maakt hem niet minder van hen — het maakt hem alleen ouder en groter.
Het regiment bestaat nog altijd, en het vaandel wordt nog altijd uitgedragen. Sinds 2021 is kolonel Collin van Loon regimentscommandant. Hij wordt in zijn regimentstaken bijgestaan door regimentsadjudant Ursus de Laat, die tijdens ceremoniën tevens de eervolle rol van vaandeldrager vervult. Het regiment is gevestigd op de Generaal-majoor Kootkazerne te Stroe.
De bakermat van de Verbindingsdienst lag echter elders, en veel dichter bij huis dan Rheindahlen: in Ede. Vrijwel iedereen die bij het squadron diende, is daar opgeleid. Op 1 november 1951 werd het 2e Regiment Verbindingstroepen opgericht in de Simon Stevinkazerne, die er al sinds eind jaren dertig stond. In 1954 werden het eerste en tweede regiment samengevoegd en kwam er een depot dat alle opleidingen van de dienst zou verzorgen. De kaderopleiding voor dienstplichtige onderofficieren en de School Reserve-Officieren van de Verbindingsdienst waren op de Simon Stevinkazerne gevestigd. Toen de aantallen dienstplichtigen groeiden, raakte ook de naastgelegen Elias Beeckmankazerne bij de dienst in gebruik; daar kregen de manschappen — de lijnwerkers en centralisten — hun opleiding. In 1967 verhuisde ten slotte de technische opleiding van de Hojelkazerne in Utrecht naar Ede, waarmee álle verbindingsopleidingen van de landmacht op één terrein zaten. De naam werd toen Verbindingsdienst Opleidingscentrum — kortweg het VOC.
Dat is voor dit dossier geen terzijde. Het jubileumartikel uit 1981, waarop grote delen van dit verhaal rusten, is geschreven door adjudant-onderofficier A. M. de Gouw — van het VOC te Ede. De man die het squadron in Duitsland kwam beschrijven, kwam van de school waar zijn lezers vandaan kwamen.
En ook Ede is inmiddels een afgesloten boek. Rond 2010 werden de militaire activiteiten op beide kazernes gestaakt; per 1 januari 2011 droeg Defensie het terrein over aan de gemeente Ede, die het herontwikkelde tot woongebied. Van de plaatsen die in dit verhaal voorkomen is er geen enkele nog wat zij was — Ede niet, de Cannerberg niet, en Rheindahlen al helemaal niet. Met dit verschil: op Rheindahlen wordt inmiddels weer geoefend (zie hoofdstuk 20), terwijl in Ede, op de plek waar de verbindelaars werden gevormd, nu gewoon mensen wonen.
— Naar de eigen website van het Regiment Verbindingstroepen (verbindingsdienst.nl) en de geschiedenis van de kazernes te Ede, geraadpleegd juli 2026. De namen en functies van regimentscommandant en regimentsadjudant geven de stand van juli 2026 weer.
Wat er wél is, ligt in Amersfoort, in de Historische Collectie Verbindingsdienst: het fanion van het squadron. Donkerblauw fluweel met gouden boordsel, in gouden borduursel de naam NETHERLANDS SIGNAL SQUADRON in een boog, en daaronder de helm met bliksemschichten van de Verbindingsdienst.
En daarmee komt er, na alle vragen over de ontwerpgeschiedenis, toch één deskundig oordeel op tafel. Kolonel Peersman, die de collectie beheert, schrijft erbij: “Zo te zien een eigen maaksel van lang geleden, getuige de vreemde vormen van de bliksemschichten.” Het fanion is dus vermoedelijk geen officieel besteld stuk, maar iets wat de eenheid zelf heeft laten maken — door iemand die het embleem uit het hoofd of naar een tekening moest borduren, en de schichten net even anders kreeg dan ze horen te zijn.
Dat is, als je erover nadenkt, precies passend voor deze eenheid. Een squadron dat zijn eigen kantine bouwde, zijn eigen bar timmerde, zijn eigen voertuigen onderhield en zijn eigen erwtensoep kookte, maakte ook zijn eigen fanion.
— Met dank aan F. F. M. (Frank) Peersman, kolonel van de Verbindingsdienst b.d., secretaris Historische Collectie Verbindingsdienst en medewerker Archief en Bibliotheek, juli 2026, via Stefan van Nijmweegen.
Galerij — Emblemen en memorabilia
Emblemen, wandschilden, vaandels, halsdoeken en bierpullen — de tastbare herinneringen aan het squadron.
8. Materieel en voertuigen
Het bijzondere karakter van het NSSQ kwam ook tot uiting in het materieel, dat sterk afweek van wat in Nederland gebruikelijk was. In 1966 werden de jeeps vervangen door Land Rovers en de oude vrachtauto’s door nieuwe DAFdrietonners met gesloten metalen cabine. Vijftien jaar later, ten tijde van het jubileum in 1981, brachten enkele Duitse merken daar geleidelijk verandering in, met onder meer de Unimog.
Omdat de eenheid in Duitsland was gestationeerd, was het wagenpark volledig ‘verduitst’: de voertuigen vielen onder de Duitse keuringsnormen — de TÜVsystematiek, met hoofdonderzoek en reminspectie — wat afweek van de Nederlandse praktijk. Het Nederlandse MIO-inspectiesysteem was op deze voertuigen dan ook niet van toepassing. Het toenemende aantal voertuigtypen bezorgde de onderhoudsgroep merkbaar meer werk, alleen al omdat het pakket aan reserveonderdelen daardoor flink groter moest worden.
Bij één onderdeel van die ‘verduitsing’ past een correctie — en de bron spreekt zichzelf daarbij tegen. Het jubileumartikel van 1981 schrijft dat de volledige verduitsing “m.n. [blijkt] uit de Duitse kentekenplaten van de voertuigen”, en zet onder de foto van een Unimog het onderschrift ‘Volledig verduitst’. Op het kenteken van diezelfde Unimog staat echter X-4489. En dat is nu juist géén Duits kenteken.
De letter X was in Duitsland namelijk voorbehouden aan een heel specifieke categorie. Sinds 1 maart 1967 voerden “de dienstvoertuigen van de op grond van het Noord-Atlantisch Verdrag opgerichte internationale militaire hoofdkwartieren met een vaste standplaats in Duitsland” een kenteken met de letter X, gevolgd door een viercijferig nummer — zwarte cijfers op een wit bord. Een X-plaat droeg geen Duitse vlag en geen plaatsaanduiding, anders dan een gewoon Duits kenteken en anders dan de Y-platen van de Bundeswehr, die de zwart-rood-gouden vlag voeren. Het X-nummer was, kortom, geen Duits kenteken maar het NAVO-kenteken. De nummers uit het beeldarchief passen precies in dat viercijferige stramien: X-4489 op de Unimog in de jubileumuitgave van 1981, en X 3628 op een Unimog in het jubileumboekje van 1986.
Dat de voertuigen van het squadron dat kenteken voerden, is daarmee geen detail maar een bevestiging: het NSSQ reed rond als onderdeel van een internationaal NAVO-hoofdkwartier, NORTHAG. Dat de platen desondanks ‘Duits’ aanvoelden, laat zich goed verklaren. Ze werden afgegeven door een Duitse instantie — de Zentrale Militärkraftfahrstelle aan de Hardter Straße in Mönchengladbach- Rheindahlen, op enkele kilometers van het JHQ — ze droegen het ingebrande zegel ‘Bundeswehr Zulassungsstelle’ met de Bundesadler, en de X-voertuigen moesten wél langs de Duitse keuring, waarvan de plakker op het achterste kentekenbord kwam. Juist dat laatste onderscheidde X van Y: Bundeswehrvoertuigen werden intern gekeurd, NAVO-voertuigen gingen naar de TÜV. De verduitsing zat dus in de regels en de keuring — niet in het kenteken.
— Correctie aangedragen door Stefan van Nijmweegen, juli 2026. Regelgeving: Fahrzeug- Zulassungsverordnung, Anlage 3 (onderscheidingsteken X); zie Bijlage B.
Galerij — Voertuigen
Het ‘verduitste’ wagenpark: van Land Rover en DAF-drietonner tot Unimog.
9. Het werk: kabel per kilometer
De kerntaak van het squadron lag bij het lijnpeloton. Op oefening betekende dat: vele tientallen kilometers kabel moesten al liggen voordat de oefening begon, en die kabel moest tijdens de oefening worden bewaakt en zo nodig vervangen. Het ging om enorme hoeveelheden loodzware kabel op haspels, die met twee man nauwelijks over een verharde weg te rollen waren. Voor het verplaatsen van dat zware materiaal beschikte de eenheid over voertuigen met laadliften en een oplegger.
Toen het jubileumartikel werd voorbereid, stond het lijnpeloton op het punt naar Midden-Engeland te vertrekken voor een internationale oefening. De commandant van het peloton, adjudant W. E. Rovroy, sprak met zichtbare waardering over de inzet van zijn mensen, die tijdens oefeningen keihard doorwerkten tot het karwei geklaard was:
“Tijdens oefeningen zijn we ruimschoots tevoren aanwezig, met de vele tientallen kilometers kabel die moeten liggen als de oefening begint. Verder dient deze kabel tijdens de oefening bewaakt en/of vervangen te worden. (…) Het maken van overspanningen is voor ons leuker werk dan in Nederland, omdat wij over Duits militair materiaal beschikken dat speciaal hiervoor is geconstrueerd.”
Dat het lijnpeloton daarvoor de zee overstak, hoorde bij het werk. Het squadron oefende geregeld in Groot-Brittannië. Een concreet voorbeeld is de zomer van 1979: vanuit Antwerpen ging een detachement met een landingsschip naar Scarborough, om vandaar dwars door Engeland tot bij York te oefenen — een internationale oefening, samen met het Britse 35 Regiment. De overtocht per schip, bij mooi zomerweer, is de deelnemers goed bijgebleven.
Galerij — Kabel- en verbindingsmaterieel
Het gereedschap van de verbindingsman: kabelhaspels, masten en veldmaterieel.
10. De ordonnansen — “het bericht moet door”
Naast het leggen van lijnen verzorgde het NSSQ de ordonnans- en koeriersdienst voor het hoofdkwartier. Dat was geen bijzaak: het koeriers- of ‘Special Message Service’-peloton reed volgens het latere jubileumboekje zo’n 300.000 kilometer per jaar. Het is aannemelijk dat daarbij ook vertrouwelijke stukken werden vervoerd — dat is de normale functie van een hoofdkwartierkoerier.
Juist in het radiotijdperk bleef die koeriersfunctie onmisbaar. Niet alles mocht of kon via de ether: zeer geheime stukken, kaarten, orders en codeboeken gingen veiliger van hand tot hand dan door de lucht, en bij radiostilte of storing was een ordonnans vaak de enige verbinding die overbleef. Voor een hoofdkwartier als Rheindahlen, waar voortdurend berichten tussen nationale staven, NAVO-staven en ondersteunende eenheden heen en weer gingen, was dat dagelijkse kost. Het paste naadloos bij het motto van de eenheid: het bericht moet door.
De klassieke drager van dat werk was de motorordonnans. Bij de Koninklijke Landmacht reed die in de jaren zestig en zeventig op de Triumph 3TA, een speciaal voor Nederland gebouwde uitvoering waarvan er ruim elfhonderd werden aangeschaft. Tegen het eind van de jaren zeventig werd vervanging gezocht; de keuze viel — na afweging tegen de BMW R45 — op de Italiaanse Moto Guzzi V50 NATO, waarvan er bijna veertienhonderd voor de landmacht werden gebouwd. In de diensttijd van de samensteller van dit dossier, rond 1980–1981, was dat dus het beeld: de Triumph op zijn retour, de Moto Guzzi in opkomst — geen BMW of Yamaha, zoals wel eens wordt gedacht. De functie zelf hield formeel nog lang stand: pas rond 2004 verdween de motorordonnans als aparte taak, toen betrouwbare, beveiligde radio- en datanetwerken zijn rol vrijwel geheel hadden overgenomen. Of het koerierspeloton van het NSSQ zijn 300.000 kilometer per jaar vooral per motor of per bestel- en dienstvoertuig aflegde, is uit de bronnen niet met zekerheid te zeggen; het bovenstaande schetst het algemene beeld bij de landmacht.
De koeriersvoertuigen
De motorordonnans was maar één gezicht van de berichtendienst. Het grootste deel van het koerierswerk gebeurde met auto’s. Het squadron beschikte over een wagenpark van personenauto’s — overwegend Fords — waarmee de koeriers dag in dag uit de honderdduizenden kilometers reden tussen de hoofdkwartieren en de verbindingslocaties. Voor het terrein waren er daarnaast lichte terreinwagens, zoals de Volkswagen 181 (de ‘Kurierwagen’) en Land Rovers.
11. Het leven bij het squadron
Het dagelijks bestaan bij het NSSQ verschilde merkbaar van dat bij een gewoon Nederlands onderdeel. Het squadron kende geen eigen wacht en geen brandpiket; de enige interne dienst was corvee in de internationale soldatenmenu. De bewaking van het complex zelf was opgedragen aan speciale Britse eenheden. Het internationale, ‘British runned’ karakter was overal merkbaar: de officiële aanduidingen én de onderlinge correspondentie waren in het Engels.
Er was, ondanks de strakke taakstelling, ruimte voor ontspanning en saamhorigheid. Het squadron organiseerde jaarlijks een eigen ouderdag en bood volop mogelijkheden voor sport — tot parachutespringen aan toe. Wie wilde, kon tijdens het winterkamp leren skiën; het NSSQ beschikte daarvoor over tachtig complete ski-uitrustingen, waarmee ook gezinsleden mee konden. En de eenheid had een sociaal hart: in achttien maanden bracht het personeel het geld bijeen voor maar liefst zesentwintig blindengeleidehonden.
Voor de meeste manschappen was Rheindahlen het decor van hun dienstplicht. Britse militairen woonden doorgaans met hun gezin in ‘married quarters’; personeel van de andere nationaliteiten woonde meestal buiten het complex in de omliggende dorpen. Beroepsmilitairen zonder gezin konden in de Engelse mess wonen, terwijl de dienstplichtigen vlak bij het NSSQ in barakken waren ondergebracht.
De kamer op JHQ Rheindahlen — 1981
Een Nederlandse onderofficier had op JHQ Rheindahlen een eigen kamer in een gelijkvloers legeringsgebouw — een van de lange, lage “accommodation blocks” die verspreid tussen de grasvelden lagen. Vanuit de centrale ingang liep men de gang in, met aan weerszijden de kamers; aan het eind van de gang bevonden zich de gezamenlijke douches en ligbaden. De kamer zelf was eenvoudig maar comfortabel: een bureau, een zithoek met bank en fauteuil, een kledingkast en een wastafel. Menigeen bracht van huis een eigen televisie mee en maakte er zo zijn kamer een beetje eigen.
Voor de maaltijden liep men naar de Britse Sergeants’ Mess, waar de bediening in witte jasjes met gouden biezen de tafels verzorgde. Het gaf het dagelijkse militaire leven een heel eigen sfeer — Rheindahlen voelde eerder als een kleine campus dan als een kazerne, met brede wegen, veel bomen en losse gebouwen tussen de gazons. ’s Avonds kon men er zelfs Britse televisie kijken: JHQ Rheindahlen was het distributiepunt van de British Forces Broadcasting Service (BFBS) voor de hele Rijnleger-sector. In 1981 ging dat nog om vanuit Engeland ingevlogen programma’s op band; de rechtstreekse verbinding met Londen kwam pas eind 1982. Dit soort details vind je in geen enkel officieel archief terug — juist daarom horen ze hier thuis.
De legering van het dienstplichtig personeel
Waar de onderofficieren een kamer in een accommodation block hadden, waren de dienstplichtigen ondergebracht in barakken vlak bij het squadron — de “slaapbloks voor de soldaten” waarover de eerste commandant al sprak toen de eenheid nog in St. Tönis lag. Het jubileumkatern van 1986 noemt ze nuchter “een paar blocks tbv slaapaccommodaties dienstplichtigen”.
De foto’s uit het beeldarchief laten zien wat daarachter schuilging. Een kamer met een stapelbed of een enkel bed, een tafel met stoelen, een kledingkast waarvan de deuren openstaan, een kapstok aan de muur. En daarnaast wat de mannen er zelf van maakten: een televisie in de hoek, een complete stereotoren op tafel, posters, een asbak, een krant. Wie er binnenkwam met zijn plunjezak over de schouder, richtte zich in voor de duur van zijn diensttijd.
Het is precies het soort ruimte dat in geen enkel organigram voorkomt en dat toch bepaalde hoe die maanden werden herinnerd.
Wat je meekreeg — de PSU
Bij de legering hoorde een uitrusting. Wat een dienstplichtige aan zijn lijf en in zijn ransel had, stond tot op het stuk nauwkeurig op één formulier: het ontvangst-/verstrekkingsformulier PSU-code 7401. Achtenvijftig regels, van beker en veldfles tot schop-pionier, van twee paar gevechtslaarzen tot vier zakdoeken legergroen. Onderaan de optelsom: negenenzeventig stuks, af te tekenen bij ontvangst en weer in te leveren bij vertrek.
Het is de nuchterste denkbare samenvatting van een diensttijd — en tegelijk een compleet portret van hoe een man er in die jaren bij liep.
Roze koek en Kaiserbrötchen
Wie jarenlang in een vreemd land ligt, leert dat land kennen via de kleinste dingen — en zijn eigen land missen via nog kleinere. Voor de Nederlanders op Rheindahlen liep die grens dwars door het dagelijkse eten. Aan de ene kant het
Nederland dat ze achter zich hadden gelaten; aan de andere kant het Duitse Rheinland waarin ze te gast waren. Twee werelden, elk met hun eigen broodje op de toonbank.
Aan de Nederlandse kant hoorde daar de roze koek bij — dat platte, met felroze suiker geglazuurde koekje. In Nederland lag het altijd klaar in de vitrines van de catering op de kazerne in Ede: typisch Nederlands, en juist door zijn onbenulligheid onvergetelijk. Het was geen lekkernij om over naar huis te schrijven, en juist daarom wás het thuis — een hap Holland bij de koffie. Voor menig dienstplichtige was het precies het soort detail waaraan hij later, terug in Nederland, met een glimlach terugdacht.
Aan de Duitse kant stond het Kaiserbrötchen — het knapperige, in zessen gekerfde broodje van iedere Duitse bakker. Daarvoor hoefde je niet eens de poort uit: Rheindahlen was een compleet woonoord, een stad op zich, met overal van dat soort kleine broodjeszaken. Daar ging het oerduitse broodje met een plak salami en een paar augurken veruit het meest over de toonbank. Het was het dagelijkse brood van het land waarin de eenheid gelegerd was.
Zo aten de mannen zich door twee culturen heen — de roze koek uit de vitrine in Ede en het salamibroodje van de Duitse broodjeszaak om de hoek. Het is het soort detail dat in geen enkel jaarverslag staat, maar dat bij een reünie nog altijd het eerst bovenkomt.
Waakzaamheid — SOXMIS en de bomdreiging
Dat Rheindahlen aan de frontlijn van de Koude Oorlog lag, merkten de mannen niet alleen aan oefeningen. Ze droegen het op zak. Sinds het Robertson-Malininakkoord van 16 september 1946 was er een Sovjet-militaire missie geaccrediteerd bij het Britse Rijnleger — SOXMIS — die zich legaal in de Britse zone mocht bewegen, net zoals de Britse tegenhanger BRIXMIS dat in Potsdam mocht. Wat als verbindingsdienst begon, groeide uit tot wederzijdse, oogluikend toegestane spionage. De missies bleven bestaan tot 1990.
Iedere militair kreeg daarom een kaartje. Aan de voorkant het kenteken dat hij moest herkennen, met de rode vlag met hamer en sikkel: “Indien U een dergelijk nummerbord ziet, heeft U te maken met een SOXMIS voertuig. Rapporteer dit feit zo spoedig mogelijk aan Uw COMMANDANT.” Aan de achterkant stond wat hij moest melden: tijd en plaats, kleur en merk van het voertuig, het kenteken, het aantal inzittenden en hun kleding, of het voertuig reed of stilstond, en wat de inzittenden deden — “aantekeningen maken, fotograferen e.d.”. En onderaan, vetgedrukt: “Vertraging van Uw melding vermindert de waarde van Uw waarneming.”
Vanaf de jaren tachtig kwam daar een tweede dreiging bij, die dichter bij huis lag. Na de aanslagen op het complex hing overal de waarschuwing om onder de auto te kijken vóór het instappen. De poster hieronder werd gedrukt door de Britse Ordnance Services in Viersen, op nog geen twintig kilometer van Rheindahlen.
Twee dreigingen dus, van twee heel verschillende kanten — en voor de mannen van het squadron allebei even alledaags als het busboekje van de koerier.
Galerij — Oefening en dagelijks leven
Het echte werk speelde zich in het veld af — met daarnaast de nodige momenten van ontspanning.
12. Reforger ’87 — Certain Strike
Van 1969 tot 1993 hield de NAVO elk jaar een grote oefening met de naam Reforger — voluit Return of Forces to Germany, het ‘terugbrengen van troepen naar Duitsland’. Het idee erachter was even eenvoudig als essentieel: mocht het Warschaupact West-Europa aanvallen, dan moesten de Verenigde Staten in enkele dagen grote aantallen militairen naar West-Duitsland kunnen brengen. Om dat te kunnen, vlogen de Amerikaanse eenheden zonder hun zware materieel over; dat stond klaar in zwaarbewaakte depots — de zogeheten POMCUS-opslag — verspreid over West-Duitsland, België en Nederland. Bij aankomst hoefden de troepen alleen hun uitrusting op te halen en konden ze vrijwel meteen het veld in. Reforger was daarmee geen machtsvertoon voor de bühne, maar de daadwerkelijke versterkingsoefening waarop het bondgenootschap in geval van oorlog zou terugvallen.
In het najaar van 1987 vond Reforger ’87 plaats, met de codenaam Certain Strike. Ongeveer vierendertigduizend militairen van het Amerikaanse III Corps werden vanuit Fort Hood in Texas naar Noord-Duitsland gebracht. Samengevoegd met de eenheden van de Noordelijke Legergroep ontstond een oefenmacht van zo’n tachtigduizend militairen uit België, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en West-Duitsland. De eigenlijke veldoefening werd gehouden van 13 tot en met 24 september 1987, in het gebied rond Nienburg, Walsrode en Verden.
Voor Rheindahlen was deze oefening bijzonder. Certain Strike was de eerste Reforger die volledig in het gebied van de Noordelijke Legergroep werd gehouden; alle voorgaande edities hadden in de zuidelijker gelegen Centrale Legergroep (CENTAG) plaatsgevonden. Het was zelfs de eerste grote veldoefening op legergroepsniveau in de NORTHAG-sector sinds 1954. En het hoofdkwartier van NORTHAG was JHQ Rheindahlen — juist het complex waar het NSSQ zijn verbindingstaak vervulde. De planning en aansturing van een operatie van deze omvang liepen dus dwars door de organisatie waarin de mannen van het squadron dagelijks werkten. Dat gebeurde bovendien in een gespannen sfeer: nog geen half jaar eerder, in maart 1987, was op het terrein de IRA-autobom ontploft, waardoor de beveiliging flink was aangescherpt.
Nederland speelde in dit alles de rol van gastland. Op Nederlandse bodem lagen verscheidene POMCUS-depots — onder meer bij Brunssum, Eygelshoven, Ter Apel, Coevorden en Vriezenveen — en door het land liep de aan- en doorvoer van duizenden voertuigen en militairen. Wekenlang trokken lange militaire colonnes over de Nederlandse wegen, begeleid door marechaussee en politie. Voor veel Nederlanders werd Reforger daardoor even zichtbaar als voor de militairen zelf.
Voor het NSSQ betekende een oefening van deze schaal vooral één ding: verbindingen, en heel veel ervan. Een veldoefening die het hele NORTHAGgebied besloeg, leunde zwaar op kabel, straalzenders, radioverkeer en koeriers — precies datgene waarvoor het squadron bestond. Hoe groot het aandeel van het NSSQ in Certain Strike precies is geweest, is uit de bewaarde bronnen niet tot op de man na te reconstrueren, maar het motto van de eenheid — ‘het bericht moet door’ — kreeg tijdens zo’n operatie zijn volle betekenis.
Reforger ’87 leeft ook voort in persoonlijke herinneringen. Het herdenkingswapenschild hierboven, aangeleverd door een oud-NSSQ’er, houdt de gebeurtenis tastbaar — en ook in de woorden van wie erbij waren.
Reforger ’87 — drie herinneringen van Rense Boersma
In september 1987 vond REFORGER ’87 plaats, de jaarlijkse NAVO-oefening die dat jaar de codenaam ‘Certain Strike’ droeg en gold als een van de grootste troepenverplaatsingen naar West-Duitsland sinds de Tweede Wereldoorlog. Dienstplichtig korporaal Rense Boersma (lichting 87-2) diende tijdens die oefening bij het squadron en tekende drie herinneringen op — het soort verhalen dat het dagelijkse leven achter de grote oefening laat zien.
De F-16’s boven Soest. Drie weken lang lag de stafafdeling boven op een heuvel bij het Duitse Soest, op een verlaten kazerne. Een van de luitenanten van het koerierspeloton was eerder van de vliegopleiding bij de Luchtmacht gehaald en daarna bij het NSSQ geplaatst. Op een ochtend werd het kamp opgeschrikt door een hels lawaai: F-16’s die rakelings overvlogen — oud-klasgenoten van de luitenant. De voertuigen leken goed gecamoufleerd, maar op de luchtfoto’s die na de oefening binnenkwamen, waren zelfs de kentekenplaten nog leesbaar.
Dienstreis naar de IAA. Samen met de koks en de sergeant BEVO (bevoorrading) reed Boersma tijdens de oefening een dag naar de Internationale Automobil-Ausstellung in Frankfurt. Als militairen kregen ze een gereduceerd toegangstarief, en op de merkstands werden ze als NAVO-militairen ronduit in de watten gelegd — een belevenis.
Het ‘discotenue’. Toen de vriendinnen van Boersma en van een collegadienstplichtige hen kwamen opzoeken, mochten ze van het terrein af — maar alleen in dagelijks tenue (DT). Zo bezochten ze een discotheek in uniform; dat DT heette vanaf dat moment het ‘discotenue’. De overige bezoekers keken hen aan met een meer dan vragende blik.
Opgetekend door dienstplichtig korporaal Rense Boersma, lichting 87-2.
Deel III — Mensen, jubileum en nalatenschap
13. Club 62 — de soos van het squadron
Een squadron is meer dan werk en materieel. Het is ook de plek waar jonge dienstplichtigen, ver van huis, hun vrije uren doorbrachten. Op JHQ Rheindahlen had vrijwel elk onderdeel zijn eigen ontmoetingsplek, en het Netherlands Signal Squadron vormde daarop geen uitzondering. Club 62 was de soos van de Nederlanders: een eigen bar met krukken, tafels en stoelen, waar men na diensttijd samenkwam voor een biertje, een kaartje en het onvermijdelijke sterke verhaal.
De soos werd, zoals gebruikelijk bij de Nederlandse onderdelen op de basis, door de soldaten zelf gerund. Om beurten stond men achter de bar; wie er zijn dienst deed, hoorde er even helemaal bij. Het was de huiskamer van het squadron — de plek waar rang en stand er even minder toe deden en waar lichtingen die elkaar anders nauwelijks tegenkwamen, samen aan de tap stonden.
(Aan te vullen met de herinneringen van de mannen: wanneer de soos ontstond, waar de naam ‘62’ vandaan komt — het houten wandschild van het squadron vormt de cijfers 6 en 2 —, wie er de scepter zwaaide en welke verhalen er de ronde deden.)
14. Sport en oefening buiten de kazerne
Niet alle oefeningen van het NSSQ speelden zich af in de modder van de zomerse bossen. Elk jaar trok het squadron ook de bergen in, naar het Duitse Sauerland, voor de wintersportoefening die bekendstond als ‘Winterspin’. Bestemming was Winterberg — met zijn skiliften en de karakteristieke St.- Georg-schans een van de bekendste wintersportplaatsen van Noordrijn- Westfalen, op rijafstand van Rheindahlen.
Naast de gewone velddienst was er ruimte voor sport en bijzondere activiteiten: de wintersport in het Sauerland, de Vierdaagse van Nijmegen, het voetbal en het parachutespringen.
Winterspin — skiën in Winterberg
Wintersport hoorde er bij het squadron gewoon bij. In de jubileumuitgave van 1981 staat het met zoveel woorden: het NSSQ beschikte over tachtig complete ski-uitrustingen, en tijdens het winterkamp konden militairen — en zelfs hun gezinsleden — leren skiën. Wie nog nooit op de latten had gestaan kreeg les; wie het al kon, maakte er een sportieve week van. Er werd zowel langlaufend door de besneeuwde dennenbossen getrokken als afgedaald op de pistes onder de sleepliften.
De Vierdaagse van Nijmegen
Ook aan de Vierdaagse van Nijmegen deed het squadron mee. In militaire ploegen liepen de mannen de vier dagen uit — een traditie waaraan eenheden uit heel NORTHAG deelnamen. In 1987 kwam het NSSQ uit als onderdeel van het ‘NORTHAG Marching Team’.
Voetbal
Ook een balletje trappen hoorde erbij. Het squadron had een eigen voetbalelftal — de ‘Snikkels’ — dat het op de basis opnam tegen ploegen van andere onderdelen. De naam keert terug op het lichtblauwe voetbalvaantje in de galerij Emblemen.
Parachutespringen
En er werd gesprongen met de parachute. Ook parachutespringen hoorde bij de dingen die de mannen van het squadron naast hun eigenlijke werk deden.
Wie wilde, kon leren springen. Het jubileumartikel van 1981 noemt het parachutespringen zonder omhaal als een van de sporten die het squadron zijn mensen bood — tussen het skiën en het voetballen in. Voor wie het deed, was het dat allerminst.
Gesprongen werd er op Teuge, en op de Belgische vliegbasis Zutendaal net over de grens bij Maastricht. Ton Hensen zette jaren later een foto van vier springers bij het vliegtuig op Facebook, met een onderschrift dat het gevoel beter vangt dan welke beschrijving ook.
‘O ja, dit was ook een hot item bij NSSQ: parachutespringen. Koste veel schoon ondergoed in die tijd.’
— Ton Hensen, over de foto hierboven
Het sprong door alle rangen heen. Tussen die vier springers staat de compagniessergeant-majoor zelf: smi A. Pellegrom — dezelfde die in hoofdstuk 15 met het rode erekoord op de rechterschouder staat. En ook de sergeanten sprongen. Op de foto hieronder staat Gerard Worm in springtenue op de dropzone van Zutendaal, met de reserveparachute op de borst en achter hem het bord waarop de sprongen werden bijgehouden.
Het ging niet altijd goed. In mei 1981 brak Gerard Worm bij een sprong zijn been. Zes weken later, in juli, was hij weer terug op Rheindahlen.
Aan die val hangt een kleine tegenstrijdigheid, die hier blijft staan omdat ze nu eenmaal in de bronnen zit. Fons Maathuis — zie hoofdstuk 16 — herinnert zich dat hij ter vervanging van Worm naar Rheindahlen kwam, en dat Worm bij zijn aankomst net weer terug was. Maar Maathuis kwam in februari 1981, ruim vóór de sprong. Twee herinneringen die elkaar niet helemaal dekken. Wat zij wél samen vertellen, is hoe het uitpakte: er zaten die zomer drie sergeanten op één bureau, en dat bleek iets te veel van het goede.
15. De leidinggevenden
Een eenheid is meer dan haar taak en haar materieel: zij wordt gedragen door de mensen die haar leiding geven. Bij het NSSQ was dat een kleine, hechte staf van beroepsofficieren en beroepsonderofficieren die vaak jarenlang aan het squadron verbonden bleven. Zij vormden de continuïteit achter de steeds wisselende lichtingen dienstplichtigen die voor hun diensttijd naar Rheindahlen kwamen en weer vertrokken.
Aan het hoofd stond de squadronscommandant, doorgaans een majoor. De eerste was majoor — later luitenant-kolonel b.d. — C. Salomons, die de eenheid vanaf de oprichting op 1 november 1961 te Bergen op Zoom opbouwde. Rond het vijfentwintigjarig bestaan, midden jaren tachtig, was majoor E. R. van Noortwijk squadronscommandant. Naast de commandant vormde de squadrons-sergeantmajoor de tweede spil: als hoogste onderofficier was hij verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken, de discipline en het welzijn van de manschappen. Een volledig overzicht van alle commandanten en sergeanten-majoors sinds de oprichting is hieronder afgebeeld en in bijlage D uitgewerkt.
Onder de commandant en de sergeant-majoor werkten de pelotonscommandanten, elk aan het hoofd van een van de vakpelotons — het lijnpeloton, de koeriers- en ordonnansdienst en de ondersteunende diensten. Zij waren de leidinggevenden met wie de dienstplichtige verbindelaars dagelijks te maken hadden, op de kazerne én in het veld tijdens de grote NAVO-oefeningen.
Fotosessie — Adjudant Benny Rovroy
Eén naam keert in de herinneringen van de oud-NSSQ’ers steeds terug: die van adjudant W. E. (’Benny’) Rovroy, commandant van het lijnpeloton. In het jubileumartikel uit 1981 sprak hij met zichtbare waardering over de inzet van zijn mensen, die tijdens oefeningen keihard doorwerkten tot het karwei geklaard was. Voor velen die onder hem dienden was hij méér dan een leidinggevende. Hij gold als een bijzondere man — betrokken bij zijn mensen en geliefd bij de manschappen — om wie tot op de dag van vandaag met warmte wordt teruggedacht.
Zijn naam, en de verhalen en gevleugelde uitspraken die bij hem horen, gaan tot in de reünies en de Facebook-groep van het squadron nog altijd rond. Veel oud- NSSQ’ers onderhouden bovendien nog steeds persoonlijk contact met hem. De onderstaande foto's komen uit die kring.
“Ik trap je een blauw bal.”
— de gevleugelde uitspraak van adjudant Rovroy
Het rode erekoord
Onder de waarderingen die binnen het squadron leefden, nam het rode erekoord een bijzondere plaats in. Het is geen rijksonderscheiding, maar een waarderingsonderscheidingsteken: een persoonlijke blijk van waardering die een commandant zélf kan toekennen aan een militair onder zijn bevel. Wie het droeg, viel op — een rode streng op de schouder tussen al het uniforme groen. De Koninklijke Landmacht omschrijft het tot op de dag van vandaag zo:
“Het Rode Erekoord wordt toegekend aan militairen die hun organieke werkzaamheden en functie als militair in algemene zin
uitmuntend uitvoeren. Het Rode Erekoord is een individuele waardering die een commandant kan toekennen aan de onder
bevel staande militair.” — Koninklijke Landmacht, over het rode erekoord
Ook binnen het Netherlands Signal Squadron droegen enkele militairen het rode koord. De bekendste was de compagniessergeant-majoor, smi A. Pellegrom, die op de foto hieronder het koord op de rechterschouder draagt. Wanneer hij het precies kreeg is niet meer met zekerheid vast te stellen, maar binnen het squadron gold hij als een voorbeeld. Daarnaast worden onder anderen Arie van Westerop genoemd en Frank van Schaik uit Valkenswaard — tekenaar en fotograaf van het stafpeloton en rechterhand van Pellegrom — die volgens medeveteranen een van de eersten was die als dienstplichtig korporaal met het rode koord werd onderscheiden. Ook een soldaat van de garage, die voor een heel ander doel naar Rheindahlen was gekomen maar de werkplaats voortreffelijk ondersteunde, zou het koord hebben gekregen. Hun namen worden mede via de reünies en de Facebook-groep stukje bij stukje teruggehaald.
Appie Pellegrom — zo noemde iedereen hem — werd geboren op 17 juli 1938 en overleed op 30 november 2012 in Ede, vierenzeventig jaar oud. In de herinnering van de oud-NSSQ’ers is hij streng doch rechtvaardig, en zeer geliefd; verscheidenen van hen waren bij zijn begrafenis.
De hier genoemde namen berusten op herinneringen van oud-NSSQ’ers en worden nog geverifieerd; deze lijst wordt in de aanloop naar de reünie verder aangevuld.
16. Stemmen uit de jaren tachtig
Een geschiedenis van gebouwen en organigrammen blijft onvolledig zonder de mensen. De jubileumuitgaven noemen er een aantal bij naam. Naast adjudant W. E. Rovroy, commandant van het lijnpeloton, was er de compagniessergeantmajoor, smi A. Pellegrom, die de eigen, afwijkende CSM-taak van het squadron verzorgde. Sergeant I. J. Boer was belast met het onderhoud en de uiteenlopende voertuiguitvoeringen, en adjudant v.d. Hout illustreerde met zijn parachutesprongen — de eerste eindigde in een boom — dat doorzettingsvermogen geen kwestie van leeftijd was.
Rond het vijfentwintigjarig bestaan, midden jaren tachtig, stond het squadron onder bevel van majoor E. R. van Noortwijk. In een uitgebreid artikel ‘Eenheid van de maand’ werd het NSSQ toen aan een breder publiek voorgesteld als een unieke landmachteenheid in een internationale omgeving.
Dit dossier staat in dezelfde traditie: het is uiteindelijk een verhaal van en voor de mensen die er hebben gediend. In een volgende versie kunnen hier persoonlijke portretten en herinneringen worden toegevoegd.
Fons Maathuis — ‘drie sergeanten was iets te veel van het goede’
Fons Maathuis diende van februari 1981 tot februari 1982 als dienstplichtig sergeant bij het NSSQ. Hij kwam ter vervanging van Gerard Worm, die een been had gebroken bij het parachutespringen — maar toen Maathuis in Rheindahlen aankwam, was Worm net weer terug. Drie sergeanten op één bureau bleek iets te veel van het goede, en zo kreeg Maathuis een taak bij de HOT onder majoor Meyer. Samen met adjudant Dimmers was hij daar verantwoordelijk voor de dienstwoningen van de beroeps- en KVV-militairen die in de omgeving woonden.
Toch ging hij graag mee te velde. Zo was hij eens kwartiermeester voor de herhalers op een kazerne in Luik, en de halfjaarlijkse oefening voor nieuwkomers noemde hij prachtig. Met het dienstplichtig kader organiseerden ze daar ooit een nachtdropping: groepen soldaten werden onder leiding van een beroeps- of KVVkorporaal in het donkere bos afgezet, terwijl de kaderleden datzelfde bos afstruinden om hen op te sporen. Het liep uit op hevige oefenvuurgevechten, compleet met rook, oefenmijnen, traangas en struikeldraden. Dennis Steggink was daar ook bij.
— Fons Maathuis, dienstplichtig sergeant bij het NSSQ, 1981–1982 (via de Facebook-groep NSSQ Rheindahlen) Redactionele noot: Gerard Worm brak zijn been in mei 1981 en was na zes weken, in juli, weer terug. Maathuis kwam in februari 1981 bij het squadron — dus vóór de val. De aanleiding voor zijn komst kan dus niet het gebroken been zijn geweest; beide herinneringen staan hier zoals ze verteld zijn. Zie ook hoofdstuk 14.
Galerij — De mensen en de eenheid
Groepsfoto’s, appèls en parades door de jaren heen — het gezicht van het squadron.
17. Twintig jaar NSSQ — 1 november 1981
Op 1 november 1981 vierde het squadron zijn twintigjarig bestaan: twee decennia Nederlandse verbindingssteun binnen de NAVO. In het jubileumartikel werd de eenheid gelukgewenst om vier redenen die mooi samenvatten waar het NSSQ voor stond. Het squadron had bewezen berekend te zijn voor de opgedragen taken; het genoot internationale waardering; het had de Nederlandse soldaat ter plaatse goed ‘verkocht’; en het had zijn taken met overtuiging vervuld onder het verbindingsmotto: “het bericht moet door”.
Dat motto was meer dan een leus. Het vatte de bestaansreden van de eenheid samen. In een hoofdkwartier dat in oorlogstijd vier legerkorpsen moest aansturen, hing alles af van verbindingen die bleven werken. Het waren de kabels, de koeriers en de mensen van het NSSQ die ervoor zorgden dat het bericht, letterlijk, doorkwam. Vijf jaar later, in 1986, volgde het vijfentwintigjarig jubileum, waaruit een groot deel van het bronmateriaal voor dit dossier afkomstig is.
Het jubileumartikel uit 1981
Hieronder volgt de volledige tekst van het jubileumartikel dat aooi A. M. de Gouw (VOC Ede) ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan schreef. De tekst is letterlijk overgenomen; de originele pagina’s zijn als facsimile opgenomen in Bijlage E.
NETHERLANDS SIGNAL SQUADRON Een Nederlandse landmachteenheid in den vreemde
Op weg en op zoek naar de bovengenoemde eenheid, na de grensovergang bij Venlo op Westduits grondgebied rijdend in de richting Mönchen-Gladbach, ondergaat het bosrijke agrarische landschap als het ware een gedaanteverwisseling. Plotseling rijdt men op keurig aangelegde asfaltwegen, met links en rechts perfect bijgehouden grasmatten! Wel valt het op dat verhoudingsgewijs meer militair verkeer van de wegen gebruik maakt en veel privé-auto’s voeren Engelse nationaliteitsaanduidingen. De straatnaam: Queens Avenue tenslotte doet wel zeer ‘unheimisch’ aan, informatie bij een voorbijganger brengt echter snel de oplossing. Zonder dat de zeer beperkt geplaatste aanduidingen zijn bemerkt bevindt men zich in het NATO-hoofdkwartier Rheindahlen, de vredeslokatie van een aantal staven van de westelijke defensiegemeenschap. Deze staven zijn:
HQ NORTHAG — Headquarters Northern Army Group HQ 2 ATAF — Headquarters 2nd Allied Tactical Air Force HQ RAF GERMANY — Headquarters Royal Air Force Germany HQ BA OR — Headquarters British Army on the Rhine Bij één van deze staven is overigens een Nederlandse eenheid in de organisatie opgenomen, welk onderdeel in dit artikel onder de aandacht wordt gebracht: het Netherlands Signal Squadron (NSSQ).
NSSQ Deze puur Nederlandse KL-eenheid met een sterkte van ruim honderd man verricht binnen het kader van de NATO-organisatie een vast omschreven aantal verbindingstaken. Voor zover mij bekend is het de enige KL-eenheid met een squadron-aanduiding. Het NSSQ is van recenter datum dan NORTHAG, dat in 1952 werd opgericht. Pas in 1961 werd te Bergen op Zoom met de daadwerkelijke oprichting begonnen, geen gemakkelijke start overigens. Zo weet men uit overleveringen nog te vertellen dat iedere Nederlandse eenheid een paar jeeps moest afstaan die het NSSQ nodig had voor de vervulling van haar taken. Welke jeeps dat werden is gemakkelijk te raden, werkelijk de slechtste exemplaren die maar te vinden waren werden ter beschikking gesteld, met alle nare gevolgen vandien. Eerst in 1966 werden deze jeeps vervangen door Landrovers, hetgeen een enorme verbetering betekende. Ook de huisvesting van het personeel verliep erg moeizaam. Na aanvankelijk elders in de omgeving te zijn gesitueerd werd het NSSQ in 1963 naar het JHQ-Rheindahlen verplaatst, waar het nog steeds te vinden is (JHQ = Joint Headquarters).
Verschillende nationaliteiten Het verzorgen van de verbindingen voor staf-Northag is niet alleen een Nederlandse aangelegenheid. Het NSSQ verzorgt uitsluitend de ordonnans- en lijnverbindingen op de oorlogs- en oefenlokaties. Naast deze faciliteiten heeft een staf als Northag bovendien behoefte aan een aantal andere communicatiemogelijkheden. Alle radioverbindingen worden verzorgd door de Belgische 13(BE) Cie TTr (Troupe de Transmission). Alle straalzender-/draaggolfverbindingen worden verzorgd door het Duitse 840(GE) Sig Bn (Fernmelde Bataljon). Alle verbindingscentra alsmede de troposcatterverbindingen worden verzorgd door het Britse 28(BR) Sig Regt. Alle grond/lucht-verbindingen worden verzorgd door het uit een internationale bemanning bestaande ASRS (Air support radio squadron). Kortom vier nationaliteiten die in een onderling samenwerkingsverband de dienstverlenende taak uitvoeren, waarbij drie naties geen problemen hebben. De contacten met de Duitse bevolking vormen hierop geen uitzondering.
Onder rechtstreeks bevel van Northag Het NSSQ kent twee bevelslijnen, waarvan de tactisch-operationele bevelslijn de belangrijkste is. Opdrachtgever in deze bevelslijn is C-NORTHAG SIGNALS SUPPORT GROUP, die ook over de reeds hiervoor genoemde geallieerde verbindingseenheden het bevel voert. De tweede bevelslijn, de administratieve, is voor toepassing van het straf- en tuchtrecht, betaling, voeding, kleding e.d. Opdrachtgever in deze is C-Nederlands Administratief Korps Mönchen-Gladbach.
Big House Centraal gelegen op een van veel zijden gemakkelijk toegankelijke lokatie is het z.g. BIG HOUSE. Hoewel het enorme gebouw dat v.w.b. de constructie erg laag is gehouden (3 verdiepingen waarvan 1 onder de grond) toegankelijk lijkt voor iedereen die er maar in wil, is het tegendeel waar. Zonder speciale toegangsbewijzen wordt de toegang onverbiddelijk geweigerd en is men alleen bereid de persoon die men wenst te spreken naar één van de vele uitgangen te ontbieden. Het NSSQ is overigens niet in het Big House ondergebracht. Wel heeft een aantal militairen van het NSSQ uit hoofde van zijn werkzaamheden toegang tot het gebouw. Ook is de commanderende eenheid waaronder het NSSQ direct valt in het gebouw ondergebracht. Al met al een gigantisch bouwwerk dat vanwege de organisatorische opzet van de meeste staven welke daarin vnl. hun thuis hebben, Engels wordt gesproken. Dat een dergelijke staf eigen helimogelijkheden voorhanden heeft is eigenlijk vanzelfsprekend.
Francisca bijl De legergroep Noord (Northag) werd in 1952 samengesteld uit een Brits, een Belgisch en een Nederlands legerkorps met als hoofdkwartier Bad Oeynhausen en verhuisde in 1954 naar Rheindahlen; daar werd de groep samengevoegd met de drie in de inleiding genoemde hoofdkwartieren. In 1957 werd Northag gecompleteerd door toevoeging van een Duits legerkorps. Tijdens de bouw van een hoofdkwartier te Rheindahlen werd een Frankische strijdbijl gevonden, een z.g. werpbijl of Francisca. Deze bijl werd het embleem voor de legergroep-Noord en is een symbool voor de overwinning die een verenigd leger in het jaar 451 in West-Europa behaalde op een aanvaller uit het Oosten.
Grote mate van selfsupporting Het NSSQ heeft, anders dan de meeste andere vergelijkbare eenheden, een grote mate van zelfstandigheid v.w.b. onderhoud en reparaties. De eenheid (ruim 100 man) heeft een eigen Property Accounting Officer, een in de rang van kapitein met een Nederlandse S-4 vergelijkbare functionaris. Zijn taak is o.m. het bewaken van het eigen budget van het squadron, controle op het bestedingspatroon, jaarlijkse aanpassing aan inflatoire invloeden, enz.
Met uitzondering van PSU en wapens is op de eenheid geen echelonnering van toepassing, men regelt alle voorkomende reparaties voor zover mogelijk zelf. Wat men zelf niet kan wordt in samenwerking met het JHQ aan Nederlandse of Duitse burgerbedrijven uitbesteed, deze keer een voertuig, de volgende keer een veldkeuken, enz.
Voertuigenpark Het anders-zijn komt v.w.b. de voertuigen niet alleen tot uitdrukking in het reparatiesysteem, ook de typen zijn veelal totaal verschillend aan de normale Nederlandse militaire automobielen. Zoals reeds vermeld werden in 1966 de Landrovers in gebruik genomen, in hetzelfde jaar werden de toen in gebruik zijnde vrachtauto’s vervangen door nieuwe DAF-drietonners met gesloten metalen cabine. Thans, vijftien jaar later, brengen enkele Duitse merken daar langzamerhand verandering in. Het gedurende de laatste jaren flink gestegen aantal soorten voertuigen bezorgt de onderhoudsgroep overigens duidelijk meer werk, alleen al omdat het reservedelenpakket aanzienlijk groter moest worden. Sgt I. J. Boer, de met deze onderhoudsperikelen belaste functionaris, maakte duidelijk dat ook de onderling soms sterk verschillende uitvoeringen van een bepaald type nogal voor de nodige problemen zorgt. Zo noemde hij als voorbeeld de Landrover, waarvan in principe één type beschikbaar is. De onderlinge verschillen tussen de diverse uitvoeringen zijn echter zo groot, dat onder de uiterlijk gelijke carosserie praktisch totaal verschillende auto’s blijken te rijden. Zo kan het gebeuren dat voor een verloren tankdop de gehele hals van de benzinetank moet worden vervangen, omdat zo’n tankdop nergens meer is te krijgen.
Ook het inspectiesysteem verschilt sterk van het Nederlandse, men valt onder de Duitse TÜV- en rem-inspecties conform de daar geldende wettelijke normen. De volledige ‘verduitsing’ blijkt m.n. uit de Duitse kentekenplaten van de voertuigen. Omdat ze wettelijk onder het (veel strengere) Duitse keuringssysteem vallen is het MIO-inspectiesysteem niet op deze voertuigen van toepassing; het MIO-team komt wel, maar inspecteert slechts op verzoek en dan adviserend. Ook de in Nederland gebruikelijke voertuigadministratie wordt hier niet gehanteerd, voor het gemak van de chauffeurs wordt alleen de rijopdracht aangehouden. De BOSartikelen worden van de Engelsen betrokken.
Redactionele noot: “de Duitse kentekenplaten van de voertuigen” staat zo in het origineel, maar is niet juist. Het squadron voerde X-nummers, en de X was in Duitsland juist voorbehouden aan de internationale NAVO-hoofdkwartieren — géén Duits kenteken dus. De foto bij ditzelfde artikel toont het zelf: onderschrift ‘Volledig verduitst’, kenteken X-4489. Zie hoofdstuk 8.
Geen wacht, geen brandpiket Vanzelfsprekend is de CSM-taak sterk afwijkend in vergelijking met een functie bij een ander Nederlands onderdeel, alhoewel dat op zich niet zo uitzonderlijk is. Er zijn immers veel meer van het gemiddelde beeld afwijkende onderdelen met daaraan gerelateerde en dus afwijkende functies. Smi A. Pellegrom, ciessergeant-majoor bij het NSSQ, heeft het v.w.b. wacht, brandpiket e.d. nogal makkelijk; daarmee heeft de CSM van het NSSQ nl. niets te maken. De enige dienst die verricht wordt is corveedienst in de (internationale) soldateneetzaal. Bewaking van het complex geschiedt door speciale Britse eenheden.
Bij vertrek van hoge autoriteiten is het in Rheindahlen gebruikelijk dat er wordt gedefileerd. Elke hier vertegenwoordigde nationaliteit levert dan een afdeling. Anders dan de bondgenoten, die daarvoor eenheden samenstellen die zijn gerecruteerd uit een eigen keurkorps of garderegiment, levert Nederland in voorkomend geval een bijdrage in de vorm van personeel van het NSSQ. Begrijpelijk heeft de samenstelling hiervan wel eens wat voeten in de aarde, vooral in de huidige tijd waar de ene lichting wel DT met hoge schoenen heeft, de andere niet, de ene lichting wel een trui, de andere niet (enz.).
Men kent bij het NSSQ veel activiteiten en organiseert jaarlijks een eigen ouderdag. Ook bestaan er veel mogelijkheden om sport te beoefenen, mits de dienst dit toelaat. Naast diverse takken van sport kent men het z.g. Winterkamp, waar militairen en hun gezinsleden kunnen leren skiën. Bij het NSSQ beschikt men over 80 complete ski-uitrustingen. Sociaal voelend is men kennelijk ook: het personeel van het squadron bracht binnen achttien maanden het benodigde geld voor maar liefst 26 (!) blindengeleidehonden bijeen.
Kabel per kilometer Toen dit artikel werd voorbereid stond het lijnpeloton op het punt naar Midden- Engeland te vertrekken, in het kader van een internationale oefening. Adjudant W. E. Rovroy, commandant van het peloton, spreekt zijn tevredenheid uit v.w.b. de inzet van zijn mensen. Als hij vertelt dat zijn personeel tijdens oefeningen keihard werkt en niet rust voordat het karwei geklaard is (het uitleggen van de kabel), wekt dat grote bewondering v.w.b. de inzet van deze lieden. Zeker als daarbij de enorme hoeveelheden loodzware kabel worden getoond, op haspels gewikkeld die met twee man nauwelijks over een verharde weg zijn te rollen. Adjudant Rovroy:
‘Tijdens oefeningen zijn we ruimschoots tevoren aanwezig, met de vele tientallen kilometers kabel die moeten liggen als de oefening begint. Verder dient deze kabel tijdens de oefening bewaakt en/of vervangen te worden. Omdat de kabels verplaatst moeten kunnen worden zijn ten behoeve van het transport van dit zware materiaal voertuigen met laadliften beschikbaar. Ook is een oplegger voorhanden, voor het vervoeren van grote hoeveelheden tegelijk. Het maken van overspanningen is voor ons leuker werk dan in Nederland, omdat wij over Duits militair materiaal beschikken dat speciaal hiervoor is geconstrueerd.’
Militair dorp Rheindahlen kan gerust een militair dorp genoemd worden, waarvan het centraal gelegen Big House reeds werd gesignaleerd. Alles is hier z.g. ‘British runned’, wat o.a. inhoudt dat de officiële aanduidingen van de hier gelegerde internationale militaire eenheden in het Engels worden gesteld. Ook de correspondentie onderling wordt in deze taal gevoerd, zoals dat binnen NATO overigens uniform is. Behalve de er gevestigde staven en eenheden is Rheindahlen JHQ de woonplaats van enkele duizenden militairen, die er al dan niet met hun gezinnen wonen. Britse militairen en hun gezinnen wonen in principe in z.g. married quarters, personeel van de andere nationaliteiten meestal buiten het complex in dorpen in de omgeving. Beroepsmilitairen zonder gezin kunnen naar verkiezing in de Engelse oo-mess wonen, dpln worden dichtbij het NSSQ in barakken gelegerd.
Twee decennia Netherlands signals support Inderdaad twintig jaar Nederlandse verbindingssteun, want op 1 november 1981 viert het squadron het 20-jarig bestaan. Het is op zijn plaats deze eenheid hiermee van harte geluk te wensen, omdat:
- – het squadron bewezen heeft berekend te zijn voor de opgedragen taken; – het squadron als zodanig internationale waardering geniet; – het squadron de Nederlandse soldaat ter plaatse ‘verkocht’ heeft; – het squadron de opgedragen taken met overtuiging vervuld heeft onder het verbindingsmotto: ‘het bericht moet door’. Het personeel van het NSSQ dat behulpzaam was bij de samenstelling van dit artikel dank ik bij deze.
— aooi A. M. de Gouw, VOC Ede
18. Het NSSQ als ‘eenheid van de maand’ — 1986
Rond het 25-jarig bestaan verscheen het NSSQ als ‘eenheid van de maand’ in het legerblad Legerkoerier (juli 1986). De reportage, geschreven door R. H. J. Bremer met foto’s van J. H. Keeris, schetst het squadron zoals het er in 1986 bijstond, met majoor E. R. van Noortwijk als commandant. Omdat de originele pagina’s goed leesbaar zijn, worden ze hieronder integraal weergegeven.
19. Vijfentwintig jaar NSSQ — november 1986
Op 1 november 1986 bestond het Netherlands Signal Squadron vijfentwintig jaar. Gevierd werd er die dag niet. Het squadron nam op dat moment deel aan Able Archer, de jaarlijkse NAVO-oefening waarin de commandostructuur van het bondgenootschap werd beproefd — en juist dan moest de eenheid doen waarvoor zij bestond: koeriers laten rijden en kabel laten liggen. De viering werd verzet naar de laatste volle week van november.
Dat uitstel is tekenend voor de eenheid. Het squadron kwam pas aan zijn eigen jubileum toe toen het werk het toeliet.
Ter gelegenheid van het jubileum verscheen een katern in de NAK Koerier van november 1986, het periodiek van het Nederlands Adm. Korps NORTHAG- TWOATAF — het blad van de Nederlandse gemeenschap op Rheindahlen. Op de omslag marcheert het squadron met vaandel en tamboer langs herfstbomen; daarboven staat: “25 jaar NL Signal Squadron 1961 - 1986”. Het katern telt twaalf pagina’s, genummerd in Romeinse cijfers.
Het is het belangrijkste document dat het squadron over zichzelf heeft nagelaten. Waar het jubileumartikel uit 1981 (hoofdstuk 17) door een buitenstaander werd geschreven, is dit het verhaal van de eenheid zelf: het programma van de viering, een voorwoord van de hoogste Nederlandse officier bij NORTHAG, een uitnodiging van de commandant, de geschiedenis op schrift, de organisatieschema’s, de taakstelling en de lijst van alle commandanten en sergeanten-majoors sinds 1961. En als sluitstuk een gesprek met de man die de eenheid in 1961 uit het niets moest opbouwen.
Van de twaalf pagina’s zijn er elf bewaard gebleven; de pagina’s I en VII ontbreken. De tekst is hieronder letterlijk overgenomen, inclusief de afkortingen en de zetfouten van het origineel. De originele pagina’s zijn als facsimile opgenomen in Bijlage E.
Voorwoord — generaal-majoor A. C. de Jonge
De Nederlandse militairen op Rheindahlen vielen onder de hoogste Nederlandse officier bij NORTHAG. In 1986 was dat generaal-majoor A. C. de Jonge, Deputy Chief of Staff Operations en Senior Officer KL. Hij opende het katern, en hij benoemt in enkele zinnen precies wat het squadron binnen die gemeenschap bijzonder maakte.
Het is mij een genoegen om ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van het Netherlands Signal Squadron enige woorden te schrijven in deze katern. Mijn felicitaties en die van de gehele Nederlandse Gemeenschap gaan naar Commandant, Officieren, Onderofficieren, Korporaals en Soldaten van deze eenheid. Het Squadron heeft een speciale plaats binnen onze Nederlandse Gemeenschap als enige organieke eenheid en kan zich daardoor veel meer manifesteren dan de rest van onze gemeenschap als één geheel.
Het Squadron heeft in internationaal opzicht een zeer goede naam. Dat is niet alleen te danken aan het huidige personeel maar natuurlijk ook aan al hun voorgangers.
Ik wens het personeel van het Squadron een bijzonder goede viering toe en veel succes met hun werk in de toekomst.
— Genmaj A. C. de Jonge, DCOS OPS NORTHAG, Senior Officer KL
Uitnodiging — majoor E. R. van Noortwijk
Commandant majoor E. R. van Noortwijk nodigde de lezers van het blad uit om te komen kijken. Zijn uitnodiging is het enige document waarin zwart op wit staat waaróm de viering niet op de oprichtingsdatum plaatsvond.
Op 1 november 1961 werd het Netherlands Signal Squadron opgericht. Het hoe en waarom kunt U een paar pagina’s verderop lezen. Daar een viering van het 25 jarig jubileum op 1 november 1986 een onmogelijkheid was door deelname aan de oefening Able Archer 1986 is deze viering verzet naar de laatste volle week van november 1986. Hoe de leden van het Squadron zich dat hebben voorgesteld kunt U lezen op één der vorige pagina’s. Ik nodig U allen uit bij onze open dag te komen kijken op 27 november 1986, waarnaast eigen internationaal verbindingsdienst materiaal, militair- nationaal en burger materieel geshowd wordt. Een tankauto, een Verbindingscentrum, de Koninklijke Marechausse enz. Tevens hebben enige bedrijven toegezegd stands te verzorgen. (Zie plattegrond) Uiteraard zal ook de traditionele erwtensoep niet ontbreken (tussen 12.30 en 14.00 uur), bereid door eigen koks in de eigen veldkeuken. Bovendien nodig ik U uit om aanwezig te zijn bij de beëdigings- herdenkingsparade op 26 november 1986. Een viertal beroepskorporaals van het Squadron zal dan de eed van trouw afleggen. Een optreden van de vaandelwacht olv Elnt Hanssen en een show van de oudste Landmachtband, de Johan Willem Friso kapel van het Eerste Legerkorps behoren, naast de eedsaflegging tot de hoogtepunten van de viering.
Gaarne uiterlijk te 15.30 aanwezig zijn op de Garrison Parde Ground. (tegenover de SS-shop).
De plechtigheid zal duren tot ca 17.00 uur.
Ik spreek de hoop uit, dat U in grote getalen van deze uitnodigingen gebruik zult maken en mede daardoor deze viering tot iets onvergetelijks zult maken.
— C-NL Sig Sqn, E. R. van Noortwijk, majoor
Het programma van de viering
De viering besloeg drie dagen: een parade met beëdiging, een open dag voor de ouders, en een reünie voor iedereen die er ooit had gediend. Het programma stond op pagina II.
26 nov 1986 — Ceremoniële Inspectie, Beëdiging en Herdenkingstoespraak
15.30 uur Uiterlijke aankomst gasten en belangstellenden 15.45 uur Aankomst muziek en ingetreden troepen 16.00 uur Rapport Parade Commandant 16.05 uur Intreden Vaandel 16.15 uur Ceremoniële Inspectie door Comnorthag 16.20 uur Beëdigingsceremonie 16.40 uur Herdenkingstoespraak Senior Officer KL Northag, Genm A. C. de Jonge 16.50 uur Uittreden Vaandel 16.55 uur Muzikale show JWF 17.10 uur Einde
27 nov 1986 — Open dag NL Sig Sqn 11.00 uur Aankomst ouders miln N1 Sig Sqn, toespraak door Commandant
12.00 uur Bezichtiging van tentoongestelde mil mat, diverse stands uit het bedrijfsleven etc. (zie plattegrond) Nuttigen van erwtensoep met broodjes. Ouders zijn in de gelegenheid om het kamp Rheindahlen te bezichtigen. 17.30 uur Einde van open dag. 18.00 uur Rijsttafel voor ouders en speciale genodigden in PMC 20.00 uur Aanvang feestavond verzorgd door de WZZ in PMC, onder meer treedt op het orkest “Major Force” en de damesgroep “Risque”. 24.00 uur Einde
28 nov 1986 — Reünie N1 Sig Sqn 13.30 - 14.00 uur Ontvangst reünisten 14.15 Welkom door C-N1 Sig Sqn 14.30 - 17.00 uur Bezichtiging mat en kamp 17.00 Rijsttafel Na rijsttafel gezellig samenzijn tot in de kleine uurtjes.
Geschiedenis van het NL Sig Sqn
Onder deze kop stond op pagina VIII de geschiedenis van de eenheid, zoals het squadron die zelf op schrift stelde. Het is de beknopte, officiële versie: oprichting, verhuizingen, materieel, taak en toekomst — in nog geen bladzijde.
Het Netherlands Signal Squadron werd opgericht in Bergen op Zoom (NL) op 1 november 1961. Het Squadron werd speciaal gevormd om deel uit te gaan maken van de Northag Signal Support Group, met als taak het verzorgen van Courier Service Staf Northag en het verzorgen van alle kabel/lijn verbindingen in de Group. De eenheid werd onder direct operationeel bevel van Comnorthag gesteld. Veel hulp is gegeven door 891 Vbdbat waar het Squadron personele en materiele steun van mocht ontvangen. De eenheid, in die tijd ca 160 man sterk, werd, uitgerust van nederlands materieel, NEKAF jeeps voor de couriers, DAF 3 ton en 1 ton en GMC 3 ton voor de overige pelotons. Op 15 januari 1962 werd het pas gevormde Sqn overgeplaatst naar de Francisca Barracks in St Tönis bij Krefeld, waar de zustereenheden 13 (BE) Cie TTR en 28 (BR) Sig Reg reeds gelegerd waren.
(De benaming van onze eenheid komt doordat bij de Britse Verbindingsdienst een eenheid van compagnies sterkte als Squadron wordt aangeduid).
In de kazerne werden enige blocks aangewezen voor het staf en verzorgingsgedeelte en een paar blocks tbv slaapaccommodaties dienstplichtigen. Om een eigen cantine te hebben werd Club ’62 opgericht. SMA van Oudheusden (de latere HPZ NAK, kap Miel van Oudheusden) was de geestelijke vader daarvan. Verder werd Club ’62 geheel door dienstplichtigen gerund.
Na ongeveer één jaar bleek dat de kazerne te klein was voor 3 onderdelen. Het Sqn werd overgeplaatst naar JHQ te Rheindahlen op 30 januari 1963. Block 21 werd toegewezen als Stafgebouw en verder werd een gedeelte van de MT Coy tbs gesteld als garage, store en parking. De nederlandse voertuigregistratie werd na enige jaren gewijzigd in de AFCENT voertuigregistratie. Toen nieuwe internationale voertuigen werden aangekocht werd overgegaan op de U zo wel bekende X-registratie.
Door verdergaande uitbreiding van de MT Coy en het Sqn werden het Carpark en de Stores niet gebouwd tegenover block 21, die in het begin der zeventiger jaren in gebruik werden genomen. In de loop der tijd werden nog wat kleinere opslagruimten bijgebouwd tot de huidige vorm bereikt werd.
Het Sqn heeft op het ogenblik een praktisch geheel vernieuwd wagenpark, slechts enkele voertuigen zijn ouder dan 5 jaar. Het Park bestaat uit een 20-tal blauwe escorts, een 6-tal landrovers en een 40-tal 2 en 5 tons vrachtauto’s die voor verschillende doeleinden gebruikt worden.
De taak van het Sqn is door de jaren heen onveranderd gebleven: Couriers en Kabel. De eenheid is relatief gezien een jonge loot aan de nederlandse Verbindingsdienst boom, maar manifesteert zich door doeltreffend te functioneren in zowel internationaal en nationaal verband. Vaak weg voor Internationale Verbindingsdienst oefenigen (Canary Caper, Cactus End), vaak gevraagd voor verzorging van evenementen van de nederlandse gemeenschap en ook de nationale verbindingsdienst doet nimmer een vergeefs beroep op het Sqn.
De toekomst van het Sqn is zeker; de eenheid blijft ter beschikking van Comnorthag. Daar over een reorganisatie van het Verbindingssysteem van Northag nagedacht wordt zal de taak van de eenheid stellig gewijzigd worden en zal misschien een nog belangrijker plaats verworven kunnen worden binnen Northag SSG.
Redactionele noot: “werden het Carpark en de Stores niet gebouwd tegenover block 21” staat zo in het origineel. Uit het vervolg van de zin blijkt dat hier kennelijk “nieuw gebouwd” bedoeld is. De laatste alinea is achteraf gezien wrang: zeven jaar later viel de Muur, en in 1993 werd NORTHAG opgeheven — het hoofdkwartier waarvoor het squadron bestond. De eenheid zelf werd op 1 juli 1998 opgeheven (zie hoofdstuk 20).
Taakstelling en werkwijze
Pagina X vat samen wat het squadron formeel moest doen, en hoe. Het is de zakelijkste pagina van het katern, en tegelijk de nuttigste: hier staat de taak in de bewoordingen van de eenheid zelf.
1. Taakstelling NL Sig Sqn Volgens de Standing Operations Procedures (SOP) van Northag Signal Support Group zijn een viertal taken aan het Sqn toegewezen:
a. Verzorgen van het Courier Systeem Northag. b. Verzorgen van alle kabelverbindingen tussen Straalzenders en Multiplexen tbv het Straal Verbindingssysteem van Northag. c. Het verzorgen van alle kabelaansluitingen tbv Staf Northag langer dan 500 meter. d. Het verzorgen van Liaison tussen Staf Northag en de Deutsche Bundes
Post. Hiervoor zijn ter beschikking 21 courierteams, 4 zware lijndetachementen, 2 normale lijndetachementen en 2 lichte.
2. Werkwijze NL SIG Sqn
a. Courier Systeem Northag Het Courier systeem wordt verzorgd door de Courier Service Troop (CST). Het systeem bestaat uit een gepland schema met vertrek- en aankomsttijden (‘busboekje’) en een Stand by systeem, waarbij speciale couriers worden aangewezen. Hoewel het Sqn alles voorbereid, is de inzet een verantwoordelijkheid van G 1-Northag. Gemiddeld wordt per jaar zo’n 300.000 km gereden.
Per oefening (Able Archer of Crested Eagle etc) wordt ca 50000 km verreden. De rest gaat op aan vredesritten naar het 1 (NL) Korps (3× per week), 1 (GE) Korps
(2× per week), zustereenheden van het Sqn (dagelijks) en speciale couriers naar de overige korpsen.
b. Kabelverbindingen SV systeem Northag Uitgelegd worden ‘Spiral Four’ (S 4) kabel tbv het door 840 Fernmeldebataljon verzorgde Straal verbindings systeem. Om dit systeem, drager van vele telefoon en telegraafcircuits, minder kwetsbaar te maken wordt de kabel niet neer gelegd, maar gebouwd. Dwz dat deze kabel daar waar nodig aan gebouwen, bomen en palen wordt opgehangen. De kabel wordt nimmer ingegraven.
c. Kabelaansluitingen Normaal wordt aansluiting op het verbindingssysteem verkregen door de gebruiker zelf. Indien de lengte meer dan 500 meter bedraagt is de hulp van het Squadron vereist.
d. Liaison DBP Alle telefoonaansluitingen tbv oefeningen worden verzorgd door het Sqn, in samenwerking met de Bauämten van de Deutsche Bundes Post. Bovendien wordt dzv het Sqn, daar waar nodig, deze aansluitingen bij de gebruiker gebracht en aangesloten.
De organisatie
Op pagina IX stonden twee schema’s: het squadron binnen de Northag Signal Support Group, en de indeling van het squadron zelf. Ze zijn hieronder overgenomen uit het katern. Het tweede schema vermeldt linksboven de sterkte — 4/19/94, dat wil zeggen vier officieren, negentien onderofficieren en vierennegentig korporaals en soldaten.
Het Squadron maakt deel uit van de Northag Signal Support Group. Het ‘Organigram’ ziet U hieronder:
Het Squadron is als volgt georganiseerd:
De ereleden
Pagina XI opende met de lijst van alle squadronscommandanten en sergeantenmajoors sinds november 1961 — de lijst die in dit dossier is opgenomen als Bijlage D. Daaronder stond, bijna terloops, een zin over een gewoonte die verder nergens is vastgelegd.
Als traditie benoemt het beroepskader van het Squadron diegenen die zich bovenmatig hebben ingezet voor het welzijn van het Squadron Ereleden, Members of Honour. Een lijst van deze leden is te vinden in de hal van block 21, het Stafgebouw van het Squadron.
Die lijst in de hal van block 21 is er niet meer. Wie erop stonden, weten alleen de mensen die er destijds langsliepen.
De eerste jaren van het Netherlands Signal Squadron
Het sluitstuk van het katern is ook het waardevolste. Voor het vijfentwintigjarig bestaan reisde majoor Van Noortwijk naar Zeist en sprak daar met luitenantkolonel b.d. C. Salomons, tweeënzeventig jaar oud — de man die de eenheid in 1961 in Bergen op Zoom uit het niets moest opbouwen. Het is de enige eerstehands stem van de oprichter die bewaard is gebleven.
In een onderzoek om na 25 jaar de geschiedenis van het Squadron op schrift te stellen, ontkom je niet aan de vraag hoe en door wie de eenheid ‘gebaard’ is. Aldus beland je bij de eerste commandant van het Squadron, LKol bd C. Salomons. De toenmalige majoor Salomons kreeg van de Inspectie Verbindingsdienst de opdracht in Bergen op Zoom per 1 november 1961 het Netherlands Signal Squadron gestalte te geven.
‘We zijn’, aldus de nu gepensioneerde overste, 72 jaar oud, in zijn mooie huis in Zeist, ‘met niets begonnen. Slechts weinig personeel werd via de S1 van de Inspectie door gesluisd naar mij toe. We waren te gast bij 891 verbindingsbataljon in Bergen op Zoom, waar ons enige bureauruimte werd toegewezen. Mijn rechter hand, Kapitein Ruygrok, zou het materieel beheren en mijn CSM, SMI Giroldi kreeg de leiding over het personeel. Nou, we krgen van allerlei eenheden voertuigen en dat waren niet de beste; ongeveer 50 NEKAF’s en als ik mij goed herinner 17 vrachtauto’s, waaronder daf 3 tonners, 1 tonners en GMC’s. Het lijnmaterieel kregen we
van de verbindingsdienst Inspectie. Al gauw werd de kersverse eenheid, met een nogal warrige organisatie, overgeplaatst naar de Francisca Barracks in St Tonis (BRD). Daar kregen we van Cdt 28 Signal Regiment, tevens kazerne commandant, enige bureau-ruimte toegewezen, een garage-onderkomen, slaapbloks voor de soldaten en verder nog wat opslag-ruimte voor het lijnmaterieel.
’t Was een moeilijke tijd, niet vanwege het werk; wat dat betreft hadden we een zeer goede naam.
Echter het boterde niet zo tussen de Nederlandse dienstplichtigen en de Engelse beroepssoldaten. Er waren vaak ruzies in de eetzaal en de kantine. Daarom is Club ’62 opgericht. Onze soldaten werden vaak zonder reden de kantine uitgestuurd. Mijn SMA van Oudheusden (later welbekend als Kap Miel van Oudheusden HSP NAK) heeft dit feilloos geregeld. Eerst kregen we een extra ruimte door zorg van de Engelse kazernecommandant. De muur werd er tussenuit gebroken om meer ruimte te krijgen en dan maar ritselen. Een eenvoudige bar werd gebouwd en de zitjes werden vanuit Nederland geregeld. Een soldatencommissie verzorgde de inkoop. Er werd geen winst gemaakt; iedereen betaalde een contributie van DM 1.00 per maand. Tijdens afzwaaien werd daarvan een afzwaaidag bekostigd. Dat betekende een dag stappen naar eigen inzicht. Er kon veel, maar uiteraard niet alles. De couriers reden verschrikkelijk veel. Ik had wel eens medelijden met die chauffeurs in hun open NEKAF’s in de winter. Ik herinner me nog die strenge winter in 1962. Geen enkel ongeluk, maar dat kwam door de sneeuw, waardoor ze niet hard konden rijden. Normaal waren er wel eens kleine ongelukjes.
Het lijnpeloton had buiten oefeningen en onderhoud eigenlijk weinig te doen. Daar moesten we werk voor zoeken. Nou, ze hebben zelfs op een Brits vliegveld kabel gelegd, onderhouden en gecontroleerd. De mooiste klus was het leggen van een S4-kabel tussen de grensovergangen Maasniel en Elmpt. De majoor Kmar Roermond vroeg me dat, aangezien de douaniers met elkaar moesten praten en de luchtlijn vaak kapot was. Dat was in die tijd dat we nl in kamp Rheindhalen zaten. Daar zijn we begin januari 1963 naar toegegaan. Dus er moest een ingegraven landlijn komen. Waar haal je gratis zo’n lijn vandaan. Ik naar Delft om samen met Kap. Spinhoven, die later ook nog commandant van het Squadron is geweest, iets te regelen. Hij had nog afgeschreven S4-Kabel liggen en die hebben we ingegraven en dat zaakje heeft goed gefunctioneerd. We konden aan de grens geen kwaad meer doen. Oh ja, de veldpost had ik in die tijd ook in de organisatie. Als die smokkelden, dan gingen ze nog diezelfde dag naar een ander onderdeel, in Nederland.
In Rheindahlen was het Squadronstaf in blok 21 gevestigd met ernaast een duiventil ‘for Sig Sqn pigeons only’. De rest van het squadron was gevestigd op het terrein van MT-Coy. Daar hielden we ook appel…’.
En zo gaat het door. De overste heeft het bijzonder naar zijn zin gehad. Op weg naar de auto houdt hij me nog staande: ‘Ik moet je nog vertellen van die ene keer…’.
— E. R. van Noortwijk Salomons’ verhaal verklaart veel van wat elders in dit dossier alleen als feit staat opgetekend: waarom Club ’62 er kwam, waarom de eenheid met de slechtste jeeps van de landmacht begon, en hoe zij haar eerste werk grotendeels zelf bij elkaar moest zoeken. Vijfentwintig jaar later stond er een squadron met een vernieuwd wagenpark en een internationale naam. Zeven jaar daarna bestond het niet meer.
Redactionele noot: “krgen”, “St Tonis”, “Rheindhalen” en “oefenigen” staan zo in het origineel. Op pagina VIII heet Van Oudheusden “HPZ NAK”, hier “HSP NAK”; beide staan zo in het katern.
20. Het einde — 1993, 1998 en 2013
De val van de Berlijnse Muur in 1989 veranderde alles. De dreiging waartegen NORTHAG decennialang was opgebouwd, viel weg, en de NAVO werd sterk verkleind. Op 24 juni 1993 werd de Northern Army Group opgeheven, in dezelfde periode als de luchtmachtstaf 2 ATAF. Daarmee verdween het hoofdkwartier waarvoor het Netherlands Signal Squadron was opgericht.
Voor het squadron kwam het einde in stappen. Op 7 mei 1993 hield het NSSQ nog één keer zijn ouderdag — de traditie waarmee de eenheid elk jaar aan de ouders liet zien wat hun zoons daar deden. Zes weken later bestond de legergroep waarvoor zij het deden niet meer.
Nog vijf jaar — de opheffing in 1998
En toch was het squadron daarmee niet weg. Volgens de Historische Collectie Verbindingsdienst, die het archief van het regiment beheert, werd het Netherlands Signal Squadron pas op 1 juli 1998 opgeheven — vijf jaar na de legergroep die het bediende.
Dat gegeven verdient een eerlijke kanttekening, want er bestaat verwarring over. Tot juli 2026 hield ook dit dossier 1993 aan, en dat doen de meeste overzichten tot op heden: met het wegvallen van NORTHAG verloor de eenheid immers haar bestaansgrond, en de mannen die er hun dienstplicht vervulden waren toen al lang naar huis. Maar het complex bleef in gebruik — vanaf 1994 zat het Allied Rapid Reaction Corps op Rheindahlen — en blijkbaar liep er daarna nog een proces van vijf jaar voordat het squadron formeel van de sterkte werd afgevoerd. Wat de eenheid in die jaren nog deed, en hoe groot zij toen was, valt met het materiaal dat nu beschikbaar is niet vast te stellen.
Zo staan er twee data naast elkaar, en ze zijn allebei waar. In 1993 hield het werk op waarvoor het squadron was opgericht. Op 1 juli 1998 hield het squadron zelf op te bestaan.
— Opheffingsdatum volgens opgave van F. F. M. (Frank) Peersman, kolonel van de Verbindingsdienst b.d., secretaris Historische Collectie Verbindingsdienst en medewerker Archief en Bibliotheek, juli 2026.
Het complex bleef daarna nog twintig jaar in Brits gebruik, onder meer voor het hoofdkwartier van de Britse strijdkrachten in Duitsland en het Allied Rapid Reaction Corps. In juli 2013 verhuisde het laatste hoofdkwartier naar Bielefeld, en op 13 december 2013 ging het terrein terug naar de Duitse staat. De ‘stad binnen een stad’ werd een spookstad. Wat bleef, is de herinnering — en juist daarom is het de moeite waard die vast te leggen.
Wie het complex vandaag wil zien: online zijn diverse drone- en verkenningsvideo’s van het verlaten JHQ Rheindahlen te vinden — beelden van precies de straten en gebouwen uit dit verhaal, nu stil en teruggegeven aan het bos. (Zie o.a. EZURBEX, ‘Former NATO Headquarters In 2021 — JHQ Rheindahlen’, 2021.)
Het vervolg — het terrein keert terug in militaire handen (2025–2026)
Daarmee leek het verhaal af: een leeggeruimd complex, teruggegeven aan de Duitse staat en langzaam aan het bos. In de jaren daarna passeerden de plannen elkaar. In 2015 dienden investeerders een voorstel in om er een vrijetijdspark van te maken; datzelfde jaar werden gas, water en licht juist weer aangesloten om er tijdelijk vluchtelingen op te vangen. Sloop, verkoop, herbestemming — het terrein leek onderweg naar een burgerbestemming. Tot het najaar van 2025.
Op 27 oktober 2025 legde de Duitse bondsregering een moratorium op de conversie en verkoop van terreinen van de Bundesanstalt für Immobilienaufgaben. De reden werd er met zoveel woorden bij gezet: de “veränderte sicherheitspolitische Lage”. Onder dat moratorium vielen ook de gronden van het voormalige JHQ Rheindahlen. Het terrein werd, kortom, van de markt gehaald omdat Duitsland het militair weer nodig zou kunnen hebben.
Op 18 november 2025 maakten Bund en deelstaat Noordrijn-Westfalen bekend dat zij eruit waren. Het JHQ-terrein krijgt een tweeledige bestemming — in het akkoord “duale use” genoemd. De deelstaat bouwt er een inrichting met plaats voor 140 personen die Duitsland moeten verlaten. En de bondsregering claimt het terrein voor een nieuwe locatie van de Bundeswehr, uitdrukkelijk gemotiveerd met “de erforderliche Aufwuchs- und Verteidigungsfähigkeit der Streitkräfte” — het vermogen van de krijgsmacht om te groeien en te verdedigen. De nabijgelegen Niederrhein-Kaserne liet de Bund wél los; die gaat naar de stad Mönchengladbach, voor een emissievrije busremise.
En het bleef niet bij plannen. Van 13 tot en met 20 maart 2026 hield de Bundeswehr een oefening op het terrein van het voormalige JHQ. Het Landeskommando Nordrhein-Westfalen lichtte de stad Mönchengladbach, de Kreis Viersen en de stad Wegberg in: er zouden ongeveer tachtig militairen, vijfentwintig voertuigen en acht drones bij betrokken zijn, en er was geen gevaar voor de bevolking. In diezelfde mededeling staat en passant een zin die veel verklaart: het voormalige JHQ “wird bereits regelmäßig als Trainingsgelände von der Polizei genutzt”. Een uitgestrekt gebied met lege huizen, echte straten, scholen en kantoren laat zich nu eenmaal moeilijk nabouwen.
Bij dat beeld past één kanttekening, want het gerucht loopt inmiddels vóór de feiten uit. Er is geen openbaar besluit waarin het JHQ wordt aangewezen als permanent oefendorp voor stadsgevechten. Wat vaststaat is dit: de politie traint er al geregeld, de Bundeswehr oefende er in maart 2026 mét drones, het terrein is aan civiele verkoop onttrokken, en er komt een nieuwe Bundeswehr-locatie. Waar dat op uitloopt, moet blijken.
Toch is de symmetrie moeilijk te negeren. Het complex werd vanaf 1952 in nauwelijks twee jaar uit het Rheindahlener Wald gestampt, met zeven miljoen uitgegraven boomwortels en zestienhonderd kilometer leiding, omdat het af moest zijn vóór West-Duitsland zijn soevereiniteit terugkreeg — gebouwd tegen een dreiging uit het oosten. In 2013 werd het teruggegeven en werd het een spookstad. In 2025 werd het opnieuw aan de markt onttrokken, en de motivering was in de kern dezelfde als in 1952. Boven de straten en de blokken van het complex — waar het squadron zijn stafgebouw, zijn garages en zijn legering had — vlogen in maart 2026 drones.
“het bericht moet door”
De samensteller van dit dossier merkte het in de verantwoording al op: de vanzelfsprekende Europese militaire samenwerking van zijn diensttijd is anno 2026 opnieuw onderwerp van debat. Het terrein waarop dat verhaal zich afspeelde, blijkt datzelfde debat gewoon te hebben afgewacht.
— Naar de persmededeling van het Ministerium der Finanzen NRW, 18 november 2025 (moratorium van 27 oktober 2025, akkoord over “duale use”, 140 plaatsen); en de persmededeling van de Kreis Viersen, 12 maart 2026 (oefening 13–20 maart 2026, ±80 militairen, 25 voertuigen, 8 drones). Zie Bijlage B.
21. Reünies en het levend archief
Dat de band tussen oud-NSSQ’ers sterk is gebleven, bleek opnieuw in 2019. In juni van dat jaar kwamen zo’n honderdvijftig oudgedienden bijeen voor een reünie, georganiseerd door korporaal buiten dienst Stefan van Nijmweegen. Het succes was zo groot dat het treffen werd herhaald: in 2022 volgde een tweede reünie, en op 19 september 2026 vindt in Elsloo de derde plaats — voor Van Nijmweegen de laatste die hij vóór zijn pensioen organiseert. Rondom de eenheid bestaat bovendien een actieve Facebook-groep, ‘NSSQ Rheindahlen’, door hem opgericht en met honderden foto’s — een waar levend archief, waaruit ook de beelden in dit dossier afkomstig zijn.
Daar ligt ook de toekomst van dit dossier. De ‘harde’ geschiedenis staat op controleerbare grond. Wat het verhaal compleet maakt, is de menselijke kant: de foto’s, de oefenboekjes, de pasjes en kaarten, en bovenal de herinneringen van de mensen zelf. Iedere bijdrage helpt om een stuk Nederlandse militaire geschiedenis te bewaren dat anders verloren zou gaan.
Galerij — De reünie
De reünie van 2019 en de blijvende band tussen oud-NSSQ’ers.
Reünie 2026 — 19 september
Op 19 september 2026 komt de NSSQ-gemeenschap opnieuw bijeen. Deze pagina houden we open: na afloop vullen we haar aan met foto's en impressies van die dag.
22. De Cannerberg — het ondergrondse NAVO-hoofdkwartier
Aan het verhaal van Rheindahlen zit een Limburgse staart. Terwijl NORTHAG en 2 ATAF vanuit het hoofdkwartier bij Mönchengladbach hun dagelijkse werk deden, lag ruim honderd kilometer naar het zuidwesten hun beschermde oorlogsuitwijkplaats verborgen: het ondergrondse NAVO-hoofdkwartier in de Cannerberg, een mergelheuvel bij Maastricht op de grens met België, vlak bij kasteel Neercanne.
In een voormalige mergelgroeve — de Boschberg — was vanaf 1954 een zwaar beveiligd bunkercomplex ingericht. Hiernaartoe zou in geval van oorlog het regionale hoofdkwartier van de 2nd Allied Tactical Air Force (2 ATAF) vanuit Rheindahlen verplaatsen; in de NAVO-terminologie heette deze vaste, ondergrondse locatie dan ook ‘TWO ATAF STATIC’. Vanaf 1 juli 1963 was de bunker dag en nacht, het hele jaar door bemand. Van hieruit werd tot eind 1992 de luchtverdediging gecoördineerd voor de noordelijke helft van West-Duitsland, met Belgische, Britse, Duitse en Nederlandse militairen zij aan zij — hetzelfde internationale samenwerkingsverband waarin ook het NSSQ zijn verbindingstaak vervulde.
Het complex was indrukwekkend. Achter de ingang lag een gangenstelsel van in totaal zo’n acht kilometer, met ongeveer vierhonderd kantoren en werkruimten langs ondergrondse ‘straten’ met namen als Mainstreet en Alpha tot en met Golf. Overdag werkten er drie- tot vierhonderd militairen, ’s nachts een veertigtal, en tijdens meerdaagse oefeningen liep dat op tot wel duizend man. Op 1 oktober 1992 verliet het Joint Operations Centre de Cannerberg; kort daarna vertrokken de laatste militairen en viel het complex definitief stil.
Sindsdien beheert Stichting Het Limburgs Landschap het voormalige hoofdkwartier, dat bij hoge uitzondering te bezichtigen is. Voor de oud-NSSQ’ers is een bezoek een bijzondere ervaring: het brengt de wereld waarin zij dienden weer tastbaar dichtbij. Zo’n bezoek aan de Cannerberg werd mede door Stefan van Nijmweegen georganiseerd, samen met André Leurs en Geert van Lith.
Fotoreportage — een bezoek van oud-NSSQ’ers
Op 14 september 2024 vond zo’n bezoek plaats. De onderstaande beelden geven er een indruk van: van de ingang in de mergelwand en de ondergrondse ‘straten’ met hun plattegrond, via het NORTHAG-embleem met de ‘7’ en de in de rots uitgehouwen NAVO-windroos, tot de oude verbindings- en operatieruimten — en de veteranen zelf, samen onder de vlaggen van de bondgenoten.
Bijlagen
Bijlage A — Tijdlijn
1952 Oprichting van de Northern Army Group (NORTHAG) in Bad Oeynhausen; start van de bouw bij Rheindahlen.
1954 NORTHAG en de overige hoofdkwartieren betrekken JHQ Rheindahlen; ongeveer 12.000 militairen verhuizen.
1957 NORTHAG wordt vervolledigd met de toevoeging van een Duits legerkorps.
1961 Oprichting van het Netherlands Signal Squadron in Bergen op Zoom (1 november 1961), te gast bij 891 Verbindingsbataljon; eerste commandant majoor C. Salomons.
1963 Het NSSQ wordt verplaatst naar JHQ Rheindahlen, zijn vaste standplaats.
1966 Jeeps worden vervangen door Land Rovers; nieuwe DAF-drietonners doen hun intrede.
1973 Eerste IRA-bomaanslag op het complex (Globe-bioscoop); geen gewonden.
1981 Het NSSQ viert op 1 november zijn 20-jarig bestaan; verschijning van het jubileumartikel.
1986 Vijfentwintigjarig bestaan; de viering wordt wegens de oefening Able Archer verzet naar 26–28 november. Jubileumkatern in de NAK Koerier met de geschiedenis, de organisatieschema’s en de commandantenlijst.
1987 IRA-bomaanslag bij de officiersmess (23 maart); eenendertig gewonden.
1987 Reforger ’87 (Certain Strike): grote NAVO-troepenverplaatsing, voor het eerst geheel in de NORTHAG-sector (13–24 september).
1989 Val van de Berlijnse Muur; begin van de afbouw van de NAVOstrijdkrachten in Duitsland.
1993 Opheffing van NORTHAG (24 juni); het hoofdkwartier waarvoor het NSSQ bestond, verdwijnt.
1998 Het Netherlands Signal Squadron wordt officieel opgeheven (1 juli), vijf jaar na NORTHAG.
2013 Teruggave van het complex aan de Duitse autoriteiten (13 december).
Bijlage B — Bronnen en betrouwbaarheid
Het meeste materiaal in dit dossier is goed onderbouwd; een aantal punten berust op één bron of kon niet volledig worden bevestigd. Die zijn hier apart benoemd, in lijn met het uitgangspunt van een zuiver en controleerbaar verhaal.
Goed onderbouwd (meerdere of primaire bronnen)
De geschiedenis en omvang van JHQ Rheindahlen en NORTHAG; de samenstelling van de NORTHAG Signal Group en de taakverdeling tussen de vier landen; de rol, standplaats en oprichting van het NSSQ; het verbindingsmotto; de IRA-aanslagen; en de teruggave van het complex aan de Duitse autoriteiten (2013). De taakverdeling per land wordt zowel door de Nederlandse jubileumuitgaven als door een ooggetuigenverslag van een Britse veteraan van 28 (BR) Signal Regiment bevestigd. De oprichtingsgeschiedenis (majoor Salomons, 891 Verbindingsbataljon, kapitein Ruygrok) en de commandantenlijst komen uit het 25-jarig jubileumboekje.
Op één bron gebaseerd
De exacte sterktecijfers (117 in vredestijd, 210 in oorlogstijd) komen van orbat85.nl. Het kilometrage van de koeriersdienst (circa 300.000 km per jaar) komt uit het jubileumboekje. Beide sluiten aan bij het overige beeld, maar zijn elders niet onafhankelijk herhaald.
Ook de opheffingsdatum van het squadron — 1 juli 1998 — berust op één bron: de opgave van de Historische Collectie Verbindingsdienst. Die bron is gezaghebbend, maar staat wel haaks op wat tot juli 2026 vrijwel overal werd aangehouden, dit dossier incluis, namelijk 1993. Zie hoofdstuk 20.
Aannemelijk maar niet bevestigd
Dat de koeriersdienst specifiek ‘geheime documenten’ vervoerde, is plausibel maar niet met zoveel woorden in de bronnen terug te vinden. De precieze ontwerpgeschiedenis van het embleem kon niet worden achterhaald.
Geraadpleegde bronnen
- Order of Battle 1985 — Royal Army (Netherlands Signal Squadron), orbat85.nl
- JHQ Rheindahlen — Wikipedia
- Northern Army Group — Wikipedia
- 1987 Rheindahlen bombing — Wikipedia
- NSSQ binnen de NORTHAG Signal Group — veteranensite 13 (BE) Cie TTr
- Regiment Verbindingstroepen over het NSSQ (reünie 2019) — Facebook
- Embleem Regiment Verbindingstroepen — Defensie.nl
- Herinneringen aan de oefening in Groot-Brittannië (zomer 1979) — Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’ (o.a. Rob Triepels)
- Royal Engineers Journal — verslagen over de planning en bouw van het HQcomplex bij Rheindahlen (maart en juni 1956; de watervoorziening in maart 1957)
- NAVO-hoofdkwartier Cannerberg — Wikipedia
- NORTHAG War Headquarters Cannerberg — Wikipedia
- Voormalig NAVO-hoofdkwartier (Cannerberg) — Stichting Het Limburgs Landschap
- Motorordonnans (geschiedenis en materieel van de KL: Triumph 3TA, Moto Guzzi V50 NATO) — Wikipedia
- British Forces Broadcasting Service (BFBS-televisie; JHQ Rheindahlen als distributiepunt) — Wikipedia
- 1988 IRA-aanslagen in Nederland (Roermond en Nieuw-Bergen, 1 mei 1988) — Wikipedia
- Aanslag door de IRA in Roermond op 27 mei 1990 — Wikipedia
- 30 hurt as car bomb hits Army base (23 maart 1987) — BBC On This Day
- Jubileumkatern “25 jaar NL Signal Squadron 1961 - 1986” — NAK Koerier, periodiek van het Nederlands Adm. Korps NORTHAG-TWOATAF, november 1986 (pag. I–XII; primaire bron, volledig getranscribeerd in hoofdstuk 19)
- Historische Collectie Verbindingsdienst, Amersfoort — opgave van kolonel b.d. F. F. M. Peersman over oprichting (1 september 1961), legering in Duitsland, de indeling van 1964, het fanion en de opheffing (1 juli 1998); met de foto’s van de kabelwagen en het fanion (juli 2026, via Stefan van Nijmweegen)
- Exercise Reforger (o.a. Reforger 87 ‘Certain Strike’) — Wikipedia
- Reforger ’87 / Certain Strike ’87 (NORTHAG-oefening, 13–24 september 1987) — militair-historische naslag
- EZURBEX — ‘Former NATO Headquarters In 2021 | JHQ Rheindahlen’, YouTube (2021): drone- en GoPro-opnamen van het verlaten JHQ-complex
- BAOR Locations — Francisca-Kaserne, Sankt Tönis (standplaats 28 (BR) Signal Regiment, NORTHAG Signal Group)
- 13 (BE) Cie TTr — Geschiedenis (eenheidswebsite, sites.google.com/site/13ciettr): oprichting 1961, Francisca Barracks Krefeld- Forstwald, peterschap 6 Bn TTr, Siemens→ANT 1985, commandantenlijst
- 2 ATAF, Rheindahlen (opgericht 1958, opgeheven 1993; bevelsstructuur en JOC Maastricht) — ACE High Journal, ace-high-journal.eu
- NATO Funkstation Mönchen-Gladbach / Hehn ACE-High (AHEZ) — Lostplace Map (2025): verbindingen, gittermast en Ayrshire Barracks North
- Fahrzeug-Zulassungsverordnung (FZV), Anlage 3 bij § 8 — onderscheidingsteken X: “Dienstfahrzeuge der auf Grund des Nordatlantikvertrages errichteten internationalen militärischen Hauptquartiere, die ihren regelmäßigen Standort im Inland haben”; toegewezen door de Zentrale Militärkraftfahrstelle, Mönchengladbach-Rheindahlen (gesetze-iminternet.de)
- Kennzeichen van Bundeswehr (Y) en NAVO (X): invoering X per 1 maart 1967, viercijferig nummer, geen Duitse vlag, HU-plakker op het achterste bord — ADAC (adac.de) en Kennzeichenwelt (kennzeichenwelt.de)
- “Einigung erzielt: Zweite Unterbringungseinrichtung für Ausreisepflichtige kann in Mönchengladbach gebaut werden” — Ministerium der Finanzen NRW, persbericht 18 november 2025 (finanzverwaltung.nrw.de): Liegenschaftsmoratorium van 27 oktober 2025, akkoord Bund–Land over tweeledig gebruik van het JHQ-terrein
- “Bundeswehr übt im ehemaligen JHQ Rheindahlen” — Kreis Viersen, persbericht 12 maart 2026 (presse-service.de): oefening 13–20 maart 2026, ±80
militairen, 25 voertuigen, 8 drones; het terrein wordt al regelmatig door de politie als oefengebied gebruikt
- Regiment Verbindingstroepen — eigen website (verbindingsdienst.nl/regiment), geraadpleegd juli 2026: oprichting Afdeling Veldtelegrafisten 1874, zelfstandig regiment per 1 mei 1949, vaandel verleend 1974 met opschrift “Rotterdam 1940”, de leeuw van de Koningsbrug (1960), opschrift “Zuid-Afghanistan 2006-2010” (2019), motto Nuntius Transmittendus, regimentscommandant en regimentsadjudant
- Simon Stevinkazerne en Elias Beeckmankazerne te Ede — Wikipedia en Atlas van Ede: oprichting 2e Regiment Verbindingstroepen 1 november 1951, samenvoeging en depot 1954, komst van de technische opleiding uit Utrecht en de naam Verbindingsdienst Opleidingscentrum (VOC) in 1967, staken van de militaire activiteiten rond 2010 en overdracht aan de gemeente Ede per 1 januari 2011
Primaire bronnen: het jubileumartikel ‘20 jaar Netherlands Signal Squadron’ (1981) en het jubileumboekje bij het 25-jarig bestaan (±1986); foto’s uit het beeldarchief van de oud-NSSQ’ers (Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’ en gezamenlijk fotoalbum).
Bijlage C — Fotoverantwoording
De foto’s in dit dossier zijn afkomstig uit het beeldarchief van de oud-NSSQ’ers, aangevuld met enkele facsimile’s (scans) uit de jubileumuitgaven, herkenbaar aan de bijschriften. Het wandschild en de halsdoek zijn gefotografeerd naar de originele voorwerpen; de plattegrond is een uitsnede van een kaart van het Rheindahlen Military Complex. Bij een definitieve uitgave verdient het aanbeveling van elke foto rechthebbende, maker en jaar zo precies mogelijk te vermelden.
Gebruik en rechten. Dit dossier is een particuliere, niet-commerciële samenstelling, bedoeld als herinnering voor de oud-NSSQ’ers. Het wordt uitsluitend in digitale vorm (pdf) onder hen verspreid en niet gedrukt, gepubliceerd of te koop aangeboden. Het beeldmateriaal is te goeder trouw bijeengebracht uit de privéarchieven van oud-NSSQ’ers, uit de Facebook-groep “NSSQ Rheindahlen” en, voor enkele historische beelden zoals ansichtkaarten en foto’s van het complex, uit openbaar vindbare bronnen. Van een deel van die beelden is de maker of rechthebbende niet (meer) te achterhalen; er rustte geen zichtbaar merk- of watermerk op. Waar mogelijk is de herkomst vermeld. Met dit dossier wordt geen enkel commercieel of ander belang gediend, en er wordt geen aanspraak gemaakt op de rechten van derden. Rechthebbenden die bezwaar hebben tegen het gebruik van een afbeelding, kunnen dat kenbaar maken; de betreffende afbeelding wordt dan aangepast of verwijderd. Aan de ontvangers wordt gevraagd de inhoud — en in het bijzonder de foto’s — niet verder te verspreiden of voor andere, zeker niet commerciële of openbare, doeleinden te gebruiken zonder toestemming van de rechthebbenden.
Bijlage D — Squadronscommandanten en sergeanten-majoors
Overgenomen uit het 25-jarig jubileumboekje (±1986). De jaartallen geven het begin en einde van de functievervulling aan.
Squadronscommandanten
Commandant Periode
Maj. Salomons nov. 1961 – juli 1964
Maj. E. R. Haighton juli 1964 – juli 1967
Maj. C. P. van Gilst juli 1967 – juli 1970
Maj. G. W. Waanders juli 1970 – juli 1974
Maj. C. J. Spinhoven juli 1974 – juli 1979
Maj. F. C. M. Hamm juli 1979 – maart 1983
Maj. J. M. O. van Bussel maart 1983 – aug. 1985
Maj. E. R. van Noortwijk aug. 1985 – (1986)
Squadrons-sergeanten-majoors
Sergeant-majoor Periode
Smi. J. Giroldi nov. 1961 – jan. 1965
Smi. A. van de Hout jan. 1965 – juli 1968
Smi. H. Mes juli 1968 – juli 1971
Smi. A. van Dorssen juli 1971 – juli 1972
Smi. M. H. van Zanten juli 1972 – juli 1976
Smi. M. van de Berg juli 1976 – juli 1977
Smi. A. Pellegrom juli 1977 – juli 1983
Smi. J. J. Maassen juli 1983 – juni 1986
Smi. P. Bohte juli 1986 – ...
Bijlage E — Uit de jubileumuitgaven (facsimile)
Ter afsluiting de originele pagina’s van de twee jubileumuitgaven waaruit een groot deel van de feiten in dit dossier afkomstig is: het artikel “Twintig jaar NSSQ” uit de VOC-uitgave van 1981, en het jubileumkatern “25 jaar NL Signal Squadron” uit de NAK Koerier van november 1986. Beide zijn elders in dit dossier volledig getranscribeerd — zie de hoofdstukken 17 en 19.
De originele pagina’s van het jubileumartikel “Twintig jaar NSSQ” uit de VOC-uitgave van 1981 (pag. 258–265). De volledige, leesbare tekst staat in hoofdstuk 17.
Beeldmateriaal en rechten
De foto’s komen vrijwel alle uit het particuliere beeldarchief van de oud-NSSQ’ers zelf; waar de herkomst bekend is, staat die vermeld. Deze website is een niet-commercieel, herdenkend initiatief: het dossier wordt niet uitgegeven of verkocht en dient geen enkel commercieel belang.
Meent u rechten te hebben op een afbeelding, bent u zelf herkenbaar in beeld en wenst u dat niet, of wilt u dat materiaal wordt verwijderd of anders vermeld? Neem dan contact op met de beheerder van deze website, Theo Theelen, via info@nssq.nl — het wordt dan aangepast of verwijderd. Overname of ander gebruik is niet toegestaan zonder toestemming van de rechthebbenden.
‘het bericht moet door’
Colofon
NETHERLANDS SIGNAL SQUADRON
Verbindingen die bleven
De geschiedenis van de Nederlandse verbindingseenheid op het NAVO-hoofdkwartier
JHQ Rheindahlen — 1961–1998
Samenstelling en tekst Gerard Worm — dienstplichtig sergeant en commandant van een lijndetachement bij het NSSQ, januari – december 1981.
Versie Juli 2026. Dit dossier is een levend document: het wordt aangevuld naarmate er materiaal en herinneringen bij komen. Een volgende versie is voorzien na de reünie van 19 september 2026.
Bronnen De verantwoording van alle gebruikte bronnen — met de betrouwbaarheid per gegeven — staat in Bijlage B. De herkomst van het beeldmateriaal staat in Bijlage C. Waar bronnen elkaar tegenspreken, is dat in de tekst benoemd en niet gladgestreken.
Met dank aan Stefan van Nijmweegen — medeoprichter van de Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’ en organisator van de reünies, die het archief bijeenbracht en de weg wees naar vrijwel al het materiaal in dit dossier.
John van Velzen (lichting 84-1) — oprichter van de Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’, waaruit het levend archief van de eenheid is voortgekomen.
Kolonel van de Verbindingsdienst b.d. F. F. M. (Frank) Peersman — secretaris Historische Collectie Verbindingsdienst, medewerker Archief en Bibliotheek, Amersfoort. Voor de opgave uit het regimentsarchief over oprichting, legering, benamingen en opheffing, en voor de foto’s van de kabelwagen en het fanion.
Ton Hensen, Rense Boersma, Fons Maathuis en Rob Triepels — voor hun foto’s en herinneringen, die van dit dossier meer maken dan een opsomming van feiten.
De leden van de Facebook-groep ‘NSSQ Rheindahlen’ — voor het beeldarchief dat zij samen, jaar na jaar, hebben opgebouwd en bewaard.
Een plek om terug te blikken — de Historische Collectie Verbindingsdienst Wie na het lezen van dit dossier de tastbare kant van dat verleden wil opzoeken, kan terecht bij de Historische Collectie Verbindingsdienst in Amersfoort. Deze collectie — deels museum, deels archief en bibliotheek — bewaart de geschiedenis van de Nederlandse militaire verbindingen: van de optische seinmiddelen van de negentiende eeuw tot de radio- en digitale verbindingen van later, met een eigen Regimentszaal van het Regiment Verbindingstroepen. Het is de wereld waarvan ook het Netherlands Signal Squadron deel uitmaakte.
De collectie is gevestigd op de Bernhardkazerne (Barchman Wuytierslaan 198, Amersfoort) en is doorgaans op woensdag te bezichtigen, of op afspraak voor groepen; inlichtingen via info@hcverbindingsdienst.nl en www.hcverbindingsdienst.nl. Juist hier ligt ook de verbinding met dit dossier: kolonel b.d. Frank Peersman, die vanuit het regimentsarchief de gegevens over de oprichting, legering en opheffing van het squadron aandroeg, is er secretaris en medewerker van archief en bibliotheek. Voor wie verder wil kijken dan deze bladzijden, is dit de aangewezen plek om het verhaal van de verbindingsdienst — en daarmee dat van het NSSQ — te blijven ontdekken.
Beeldmateriaal en rechten De foto’s komen vrijwel alle uit het particuliere beeldarchief van de oud- NSSQ’ers zelf; waar de herkomst bekend is, staat die vermeld. Dit dossier is samengesteld voor en wordt verspreid onder de oud-leden van het Netherlands Signal Squadron. Het wordt niet uitgegeven of verkocht en dient geen enkel commercieel belang. Wie meent rechten te hebben op een afbeelding, kan zich melden; die wordt dan aangepast of verwijderd. Overname of ander gebruik is niet toegestaan zonder toestemming van de rechthebbenden.
‘het bericht moet door’